Huis- tuin- en keukendilemma’s

zondag 23 mei 2010

Het blijft toch lastig, dat tuinieren. Of balkonieren moet ik zeggen. Veel dilemma’s. Onkruid weghalen, maar ook als het onkruid mooie paarse bloempjes heeft? Schiften in het aantal potten. We moeten minderen om plaats te maken voor, ik zeg maar wat raars, een opblaasbaar zwembadje, een zandbak in een schelp. De potten met de bijna dode planten gaan aan de kant, dat is makkelijk geselecteerd. Maar geef je ze dan ook gelijk helemaal geen water meer? Onthoud je een terdoodveroordeelde zijn laatste avondmaal? Ik deed iets lafhartigs ertussenin: een beetje water.

Vervolgens moeten die potten ook nog ergens heen. Op vrijdag komt het grofvuil langs. Maar is een pot met een op sterven na dode plant grofvuil? Schuldgevoel tegenover de stervende die jaar en dag bij ons heeft gewoond en nu plaats moet maken voor plastic troep.

Sowieso heb ik moeite met grofvuil. Het heeft iets pijnlijk intiems om dat wat je weggooit zo te kijk te zetten voor iedereen. Ook naar grofvuil van anderen kijk ik niet graag. Meubels die niet mooi meer worden gevonden, bevlekte matrassen. Ik hoef dat allemaal niet te weten.

Hoe de wereld groeit

maandag 17 mei 2010

We staan aan de kant en juichen toe, roepen dat ze haar beste beentje voor moet zetten. Haar beste beentje zit achter, dat is nou net het probleem. Ze lijkt in de knoop te zitten met zichzelf, we moeten ons ervan weerhouden in te grijpen.

Ze zucht en ze steunt, maar ze komt vooruit. Ontdekt stukje bij beetje hoe ze haar benen moet bewegen en haar armen moet neerzetten. De inspanning wordt beloond en ze is zomaar ineens aan de andere kant van het kleed aanbeland. Herstel: niet zomaar ineens, maar doelbewust en met uiterste krachtinspanning.

Ze ontdekt: benen zijn om op te staan. Handig om iets te pakken dat op tafel ligt. Met gekromde voetjes richt ze zich op en grijpt.

Zo wordt de wereld langzaam groter. Iets  aan de andere kant van de kamer is niet meer onbereikbaar. Maar ook: iemand die de deur uitgaat, is voor altijd weg. Geeft niks.

Hoe het was, toen

woensdag 5 mei 2010

Of dit: Opa’s en oma’s vertellen aan hun kleinkinderen hoe het was om kind te zijn in de oorlog. Frans Bromet stuurt het verhaal, de kleinkinderen luisteren en durven soms nog een aanvullende vraag te stellen. Het zijn echte kinderen van nu, een jaar of zestien. Ze luisteren aandachtig, en voelen zich onhandig. Weten niet precies hoe te reageren. ‘Kun jij je dat voorstellen?’ zaagt Frans een van de kinderen. Het meisje antwoordt ontkennend. Ze zegt: ‘Ik weet niet hoe het is om mijn ouders te moeten missen, dus nee, ik kan het me niet voorstellen.’ De opa kijkt haar liefdevol aan. Hij zegt ‘dat is maar goed ook.’

Soms worden de opa’s en oma’s emotioneel als ze vertellen over vaders en moeders die van de ene op de andere dag weg zijn, vriendjes die worden meegenomen. Ze pinken tranen weg, slikken brokken door. De kleinkinderen schuiven ongemakkelijk heen en weer. Kijken hun opa’s en oma’s even aan, en kijken dan snel weer weg. Twijfelen tussen opstaan en zittenblijven.

Een opa laat een foto van zijn verdwenen vader zien. ‘Jouw overgrootvader’, zegt hij, ‘dat klinkt gek.’  Ze zijn weer  kind van, en worden plots geconfronteerd met generaties later.

Puur

zondag 11 april 2010

Het is niet alleen maar bar en boos op de televisie. Daar kom je achter als je weekends niet langer opgaan aan uitslapen, en als je ’s avonds te moe bent om iets anders te doen. Een kleine selectie:

Zinkende mannen: schoonzwemmende Zweedse mannen, mooi! (Wie wist dat Nederland, Amsterdam, een mannelijk schoonzwemteam heeft dat het WK heeft gewonnen?) Quote: ‘Ik weet ook wel dat synchroonzwemmen niet van levensbelang is.’

Metropolis: Een jongetje voetbalt met zijn vader. Zijn vader vertelt over de beste elftals in de wereld. Het jongetje: ‘Papa waarom zeg jij nooit iets filosofisch, maar alleen maar van die gewone dingen?’

En dan het allermooiste. Vergeet mij niet gaat over twee vrienden van elf jaar, Marc en Jeroen, op een keerpunt in hun leven: Ze gaan naar de middelbare school. Maar allebei gaan ze naar een andere school. Wat volgt is een lofzang op vriendschap. Zonder enige volwassen vorm van cynisme of ironie, vertellen ze elkaar hoe leuk ze het samen hebben. De een is wat rustiger, de ander wat drukker. Marc: ‘Dat zou elkaar kunnen opheffen.’  Ze vertellen dat ze dezelfde humor hebben, soms zelfs tegelijkertijd hetzelfde zeggen, dat ze zich zo op hun gemak bij elkaar voelen en zich nooit anders hoeven voordoen.

We willen elkaar nooit meer kwijt, zeggen ze allebei, maar dan komt plots toch een schaduw van realiteit om de hoek kijken. Marc zegt: ‘Maar je weet natuurlijk nooit hoe het loopt.’ Jeroen lacht wat ongemakkelijk, schamper. Even op dit doemscenario doorfilosoferend, vervolgt Marc:  ‘Zonder Jeroen zou ik iets minder Marc zijn.’

Spring is in the air

woensdag 10 maart 2010

‘Spring is in the air’, zegt de man tegen de ietwat te dikke jongen achter de kassa. De kassajongen lacht een verlegen lachje, weet misschien niet hoe hij in het Engels moet reageren. Ik ben blij.  Blij dat het Engels een heuse uitdrukking voor de op handen zijnde lente heeft. Eentje die uiting geeft aan dit heuglijke feit, dat moment van ontwaken, van de koude duisternis afschudden, van voorzichtig weer durven denken aan betere tijden. Het klinkt trouwens ook vrolijk, dat Engelse:  ‘Spring ’s in de lucht’.

Het was waar. De zon scheen, de handschoenen bleven in de tas zitten, de stoepen waren bestoepkrijt, er werd touw gesprongen en de baby kneep met haar oogjes tegen de zon. Ik zei ‘dat is de lente die je voelt’, en deed de kap van de kinderwagen niet omlaag. Ze zal het leren, de lente.

De woorden zijn even op

dinsdag 15 december 2009

Ik kan niet doen alsof ze er niet is, maar misschien bevestigt dat vele niet-schrijven dat al. Ofzo, ik ben er een beetje uit en kan geen goede zinnen meer maken. Feit is: ze is er. Altijd, overal. Ik zou de mooiste woorden aan haar willen wijden, maar ik weet de juiste woorden niet. Misschien bestaan die ook wel niet. Zo zou ik het volgende heel graag willen beschrijven, maar ik weet nu al dat het niet over zal komen. Edoch, een poging.

Ze zit bij mij op schoot. Naast ons op de bank zit haar vader. De vader kijkt haar aan, zij kijkt haar vader aan. Ze moet lachen. De vader kijkt weg, en weer terug, en trekt een gek gezicht. Ze lacht weer, nu harder. De vader herhaalt het spelletje en zij lacht steeds harder en harder, ze schatert het uit.

Ze is drie maanden oud en zo aanwezig. Voor iemand die er nooit was, is ze er nu heel erg wel. Wij lachen ook, maar niet omdat we kiekeboe zo grappig vinden. Het gaat dieper. Ons lachen nadert het huilen zelfs, een heel diep gevoel wordt aangesproken door haar gelach. Als we er later aan terugdenken zeggen we ‘wat was dat mooi.’ En we weten dat we de juiste woorden ervoor niet kunnen vinden. Die zijn ook niet nodig.

Wat ik had kunnen schrijven

woensdag 7 oktober 2009

Ik wilde schrijven over een wandeling in het park op een heel erg doordeweekse dinsdagochtend; er waren alleen oude mannetjes die op banken langs het water zaten. Ik kreeg de neiging ze te groeten en zelfs om ze een glimlach toe te werpen. Zo iets als een verstandhoudingsglimlach. Maar ze waren niet allemaal teruglachend gezind.

Ik wilde zeker nog schrijven over de getatoeëerde man die van baby’s houdt en die als hij thuis is aan het eind van de dag de geur van baby’s mist. Op zijn arm staat in Chinese karakters de naam van zijn dochtertje. Met die armen doopte hij die van mij in haar eerste bad en iedereen die de foto van dit moment zag vroeg: ‘van wie is die arm?’

Ook wilde ik woorden wijden aan het dekentje dat de getatoeëerde man direct uit het bedje verwijderde: te gevaarlijk. En dat nu dus slechts als symbool heeft gediend. Symbolen mogen wat kosten.

Ik wilde niet schrijven over moeheid, slapeloze nachten, wasmachines, spenen en kolfapparaten. Over slapende baby’s die zomaar huilend wakker kunnen worden en waar je je naartoe snelt om troost te bieden. Over eerste lachjes en warme lijfjes.

Ooit had ik bedacht: mocht ik  zomaar eens een keer moeder worden, dan schrijf ik daar niet over, bang als ik was voor wij-jonge-ouders-teksten. Dat dat onmogelijk was, wist ik toen nog niet.

Plotseling

zaterdag 5 september 2009

En dan is het toch zomaar ‘ineens’. Hoe tegenstrijdig, na zo lang wachten zou een abrupte overgang niet mogelijk kunnen zijn.  De buitenwereld is opgehouden te bestaan. Er zijn geen dagen van de week, geen journaals, alles concentreert zich rond die ene dag: 30 augustus.  Buiten regent het, soms schijnt de zon, ik zie de druppels op het raam of een straal zonlicht zonder het te registreren. Zat ik eerst wekenlang op het dakterras, nu ben ik vergeten hoe de buitenlucht voelt.

Er zijn deze week geen eigen beslissingen. Ik word geleefd. Ik strompel door het huis en er is iemand die stofzuigt, de was doet, de vaatwasser in- en uitruimt en aan mij vraagt of hij nog iets kan doen. Ik ben een beetje licht in mijn hoofd van een week niet slapen.  In de slaapkamer ligt een derde te slapen. Ze huilt soms, dan wil ze drinken, sabbelen, of iets anders wat wij niet begrijpen omdat we haar taal nog niet spreken. Ze heeft een poppekopje dat een serene rust uitstraalt als ze slaapt. Haar ogen zijn donkerblauw en als ze ’s nachts naast me ligt, wakker en op zoek naar haar voedselbron, is het alsof ik iemand aankijk uit een andere wereld.

Als we ’s ochtends wakker worden na een uurtje slaap verder, is ze er nog steeds. Ik moet erom lachen. ‘Ze is er nog steeds’, zeg ik. Lotus is geboren en plotseling is alles anders.

Wachten in de zomer

maandag 24 augustus 2009

Ook al is elke dag de kans groter dat er iets staat te gebeuren, zelf denk ik na een week wachten dat er helemaal niets meer gaat veranderen. Misschien blijft het wel zo. Is dit de situatie voortaan. Of zal, zoals eerst alles zich de afgelopen negen maanden heeft opgebouwd, alles langzaam weer normaal worden. Elke dag een beetje meer richting zoals het ooit was, totdat ik ben vergeten hoe ik er op het hoogste punt van de curve uitzag en wat ik toen aan verwachtingen had.

Wachten is een actief werkwoord, maar van enige actie is geen sprake. Ik ken het dakterras inmiddels tot in het kleinste detail. De tuinslang hangt te druppelen. Daar merk je niks van, totdat je in het donker in bed ligt. Het favoriete schaduwplekje van een van de katten is opgekruld tussen twee bloempotten in. Het kaarsvet dat een zomer eerder op de natuurstenen tafel is gedruppeld, is nog steeds te zien als donkere vlek. De hosta’s zijn opgegeten door de slakken. Slijmsporen op de bladeren.

Ik sproei de planten in de avond. In sommige potten zit alleen onkruid. Het dilemma: geef je, nu je toch bezig bent, het onkruid ook water? Of sla je deze potten over omdat ze ongewenste gasten bevatten? Ik geef ze water.

Soms spreek ik haar aan. Ze zegt: ‘ik kom als ik er klaar voor ben.’ Elke dag vergeet ik een beetje meer waar het wachten op is.

Jeugdsentiment

vrijdag 24 juli 2009

Natuurlijk was het jeugdsentiment. ‘Kijk, daar stond hij ons altijd op te wachten en dan renden wij heel hard de trap op naar hem toe!’ Hij zou als hij nog geleefd had overgrootvader zijn geworden. Wisten we dat we altijd op een industrieterrein aten? Nee, want als kind zie je alleen wat je wilt zien:  pannenkoeken en een schip. Verder niks.

Nu was de bestemming zomaar een keer wel industrieterrein. Of met een moderner woord, woonboulevard. En aan de overkant zagen we ‘m liggen, onze ouwe kameraad het pannenkoekenschip, toen nog zonder tussen -n. De woonboulevard was vergeten, we moesten en zouden naar de overkant om voor heel even terug in de tijd te stappen.

De loopplank was hetzelfde. De ingang ook: een morsig tapijt, een soort balie en daarachter een vitrinekast met clowns, narren, pierrots. Het glas was al in geen tijden gewassen, de clowns grijnsden hun stoffige lach. In een hoekje een tafel met kleurpotloden en papier. Er was geen kind te zien.
Linksaf kwam je door de deuren het restaurant binnen. Ook hier dezelfde morsige vloerbedekking. Op de tafels stonden vaasjes met nepbloemen die uitelkaar vielen als je ze perongeluk aanraakte. Op het bestek bleef een streep staan als je er met je vinger overheen ging.

‘Had u alvast iets te drinken gehad willen hebben?’ vroeg de in een wit overhemd met een gele vlek gestoken ober. Wij hadden wel een cola gehad willen hebben. De cola smaakte niet naar cola. De jongen vroeg of we wellicht al een keuze hadden kunnen maken. Dat hadden we. Het wachten duurde lang. Plotseling begon het te stinken. Een lucht van rotte eieren verspreidde zich over  het het schip. We waren niet de enigen die het roken, ook de paar andere tafeltjes die bezet waren staken verbaasd hun neus omhoog.

De lucht was weg toen de pannenkoeken op tafel kwamen. We staken de lepel in de strooppot en probeerden niet te denken aan wat er in de loop der tijd allemaal in de strooppot gevallen zou kunnen zijn. ‘En tóch was het leuk’,  probeerden we onze jeugdherinnering in leven te houden.