Archief van categorie 'algemeen'

Fietslicht in de duisternis

donderdag 26 oktober 2006

Ik was afwezig. Dat was een bewuste gedachte die mijn hoofd binnenzeilde. Ik fietste naar huis en er was¬ geen wereld meer om me heen. Er zou eens iets onverwachts moeten gebeuren, dacht ik. Zou ik dat dan merken? Alles leek zo samen te vallen dat er niets meer was. Het was al aan het donkeren.

Toen ging ik nog even de supermarkt in. Kwam er weer uit. Zag dat mijn fietslampje weg was die ik vergeten was eraf te halen.¬ Zag ‘m vervolgens op een van de fietsen van een groepje kinderen. De afwezigheid was in een klap over. Maar hoe te handelen? ‘Volgens mij is dat mijn lampje, net zat ie namelijk nog op mijn fiets’ en ik wees naar het nu lege klemmetje op het stuur.¬ Toen begon de onhandigheid kinderen eigen, verschillende aanpakken naast elkaar, van beter een goede leugen dan vele slechte¬ naast elkaar hadden ze nog nooit gehoord. ‘Neehoor die heb ik zelf gekocht’. ‘Dit is niet mijn fiets die is van een ander jongetje’ (en ook niet jouw lampje k*tkind!).

Ik liet duidelijk merken dat ik het kind niet geloofde, maar tegelijkertijd vond ik het wat te ver gaan om het lampje van zijn (onee, van een ander jongetje) fiets te rukken. Ik had immers geen bewijs en ik was me ervan bewust dat ik in een rechtsstaat leefde waar men altijd ‘bewijs’ wil hebben. Zomaar jongetjes beschuldigen van het stelen van een fietslampje, hoezeer alles ook in die richting wijst, kan nou eenmaal niet.¬ Ik probeerde de moederlijke aanpak, het aanspreken op gevoel. ‘Nu moet ik weer een nieuw lampje gaan kopen omdat mijn lampje op jouw fiets zit. Dat is toch niet leuk?’ Geirriteerd pakte ik mijn fiets en reed weg.

‘Dan koopt u toch gewoon¬ een nieuw lampje!’, riep een van de jongetjes me behulpzaam achterna.

Een oppoetsbare wereld

dinsdag 24 oktober 2006

Ik verheugde me er al bijna het hele weekend op. Ik zou mijn kast ontdoen van alle laarzen (schoenen zijn in de minderheid), ik zou deze op een oude krant zetten in de keuken en vervolgens zou ik ze gaan…poetsen.

Ik ben niet opgegroeid met schoenenpoetsen, net een generatie te laat denk ik. Er was wel zo’n heuse schoenpoetskist aanwezig (in de kelderkast, waar anders), maar zelf hoefde ik mijn handen daar zelden aan¬ vuil te maken. Misschien is om deze reden schoenenpoetsen uitgegroeid tot een vreugdevolle ervaring, een uitje, een mind-cheer-up. Er is geen heerlijker geur dan de schoenpoetsgeur. Het is zo’n genot om de kale neusjes ineens weer te zien glimmen, het leer weer te zien leven. Het doet beseffen dat zo veel zaken repareerbaar zijn, dat de slogan ‘Gun schoenen een tweede ronde, weggooien is zonde’ er echt toe doet. Misschien is de wereld na 2000 jaar niet meer maakbaar, oppoetsbaar is zij wel.

Zelf ben¬ ik wat minder van het repareren. Daar heb ik¬ anderen voor¬ nodig.¬ Maar het¬ poetsen kon ik¬ uitstekend zelf. Alles verliep volgens plan. Aan vier paar laarzen viel de eer te beurt en aan twee paar schoenen. Bij de zwarte schoenpoets bleek helaas de rigor mortis al ingetreden, maar de doorzichtige schoenpoets hielp¬ graag een handje mee.

Nu staan in de keuken op een oude krant zes paar laarzen (ik had over de niet-leren gelijk ook maar¬ een doekje gehaald) en twee paar schoenen. Vol spanning wacht ik op de Goedheiligman.¬ Ik hoop dat hij mijn ijver niet voor gulzigheid aanziet.

Laatste zelfportret in beuk

maandag 23 oktober 2006

Het vliegtuig en de wolken bewegen zich in tegenovergestelde richtingen. Ze kruisen elkaar. De snelheid lijkt gelijk. De lucht is als de luchten van oude schilderijen: woeste wolken, grijze luchten, en heel veel beweging. Als je niet naar de omgeving kijkt en de hoge lelijke gebouwen niet ziet, dan is er niets veranderd. Dit is wat het altijd geweest is. Behalve dat vliegtuig dan.

We liepen in een bos dat maar niet herfstig leek te worden. Alleen de beuken waren bereid hun blaadjes enigszins te verkleuren en op de grond te laten vallen. De beuken droegen ogen op hun gladde stammen. Grote ovale inkepingen, bijna als de lijst van een ouderwets schilderij. Hier hoefde je je ogen niet te sluiten om dingen niet te zien die er ooit niet waren; alles was er. Precies zo.

Ineens voelden we dat iemand naar ons keek. Ingelijst in een beuk hing het gezicht van een oude man. Ik herkende het gezicht direct. Het keek misschien net iets treuriger, maar het was hem onmiskenbaar. Zijn oude ogen en mondhoeken wezen een beetje naar beneden. De oude man in de beuk keek ons aan, berustend. Hij had het allemaal al eerder gezien. Dichterbij gekomen veranderde het gezicht niet, de ogen, neus en mond bleven even duidelijk zichtbaar. Schilderachtig en schilderij werden een.

Een beuk die uit eigen beweging een lofrede op de schilderkunst hield, een ode aan de Meester bracht. Aan Rembrandt zelf.

Cowboylaarzen altijd goed

zondag 22 oktober 2006

‘Cowboylaarzen’, zei de schoenenverkoper tegen een klant, ‘doen het het hele jaar door. Die zijn echt altijd goed.’ We¬ liepen de cowboylaarzenafdeling voorbij¬ en haalden hooggehakte en¬ gesleehakte¬ muiltjes met enkelriempjes uit het rek. Ze stonden ons heel goed en ze zaten prima. Mijn schoenen¬ waren groen en dat vond ik zelf ook best het hele jaar door kunnen. Achter¬ de kassa stond een meisje.

‘En weet je wattie dee?’ zei ze, ‘hij dee gewoon “psssst” naar me en stak z’n arm omhoog dat ik moest komen. Ja doei, dat doe ik natuurlijk niet. Ja toch, dat is toch belachelijk? Alsof ik een, een…’ Ze kon even geen passende vergelijking ¬ bedenken. ‘Een hond?’ probeerde ik haar te helpen. ‘Ja precies, haha, een hond! Ik ben toch geen hond?’ ‘Nee, belachelijk’, vond¬ ook ik. ‘Maar in die culturen is het heel normaal’, vervolgde ze, ‘daar pssten ze¬ allemaal naar elkaar. Maar zo doen wij dat hier niet. Weet je wat ik altijd doe? Ik psst altijd gewoon terug als er iemand naar me psst. Dan kijken ze raar op hoor. Ja ik vind dat gewoon echt niet kunnen, ik vind het echt zo…’ Weer wist ze even niet wat ze daar precies van vond. ‘Respectloos?’ zei ik. ‘Ja, gewoon respectloos’, beaamde ze. We waren het met elkaar eens. We vonden allebei dat pssten niet kon. Ze stopte de schoenen in een tas en wenste ons een ‘heel fijn weekend’.

‘Wat een heel fijn weekend hebben we he?’ Zeiden we wankel op¬ nieuwe schoenen tegen elkaar.

Slachtofferrol

donderdag 19 oktober 2006

Hij hangt half weggezakt achter het kapotte raampje van de trein. Zijn gezicht zit onder het bloed. Hij bonkt op het raam om aandacht van de in lichtgevende hesjes gestoken hulpverleners te krijgen. Slachtoffer en hulpverleners doen alsof, want dit is een oefening.

Lotusslachtoffers, ik snap ze niet. Wie wil er nou vrijwillig slachtoffer spelen? En waarom heet het in godsnaam ‘lotus’? Dat kan ik natuurlijk opzoeken – momentje. Lotus: Landelijke Opleiding Tot Uitbeelding van Slachtoffers. Kijk, dat is tenminste duidelijk. Het is dus zelfs een heuse opleiding. Iemand die dit wist? Wat zou de reden kunnen zijn om aan een gefingeerd ongeval mee te doen in de vorm van slachtoffer? Wil iemand graag slachtoffer zijn vanwege de aandacht die hij dan krijgt, of droomt hij er eigenlijk van om acteur te worden maar de doorbraak blijft uit? Ze doen ook zo hun best. Krijgen levensechte wonden opgeschminkt, hebben een pijnlijke uitdrukking op hun gezicht en kreunen dat het een lieve lust is. Oefening baart kunst. Is dat wat het is: kunst.

Misschien is het uitbeelden van slachtoffer wel de enige manier om zo dicht mogelijk bij Het Ongeluk, De Dood, te komen, zonder de gevolgen ervan (er niet meer zijn bijvoorbeeld) mee te hoeven maken. Je ervan bewust worden dat je leeft en daar gebruik van maken. ‘Na het ongeluk leef ik elke dag alsof het mijn laatste is’. ‘Nu ik hersteld ben, geniet ik weer met volle teugen van het leven; je weet nooit wanneer het plotseling ophoudt’. Dat soort praat.

Ik ben er nog niet uit. Ik weet alleen dat ik niet graag uit mezelf slachtoffer wil spelen. Het voelt als vragen om een ongeluk.

Opmars der siliconen

dinsdag 17 oktober 2006

De siliconen zijn op weg om de wereld te veroveren. Ze zijn overal, ze duiken in al mijn geliefde reclamefolders op. In die van V&D, Blokker en zelfs in mijn allerfavorietste Hemafolder. Ze hebben hun werkterrein verlegd van het opleuken der kleine tieten¬ naar…de keuken. Doodgewoon de keuken. Ze zijn nu kwastjes om een ovenschaal mee in te vetten. Ze zijn ovenhandschoenen. Ze zijn spatels om een gebakken eitje uit een koekenpan-met-tefalbodem te kieperen. En ze hebben de felste kleuren. ‘Hier zijn we dan!’ zie je ze schreeuwen. ‘Hoe kon je ooit zonder ons?’

Ik kon heel goed zonder ze. Wat je niet kent, dat mis je niet. Maar ineens bleken de siliconen nog¬ een stapje verder te gaan. Deze keer hadden ze hun felgekleurde pakjes uitgetrokken en zich zo goed als onzichtbaar gemaakt, of eerder, doorzichtig. Ze werden me bijna opgedrongen. ‘Je moet echt¬ siliconen nemen, want anders…’ Gevoelig als ik ben voor dreigementen¬ op dit gebied zwichtte ik. Toen¬ kreeg¬ ik siliconenlenzen.

De lenzenboer was blij met mij. Ik leek wel een experiment – een geslaagd experiment! Hij zag mijn ogen met sprongen vooruitgaan. Elke keer als ik terugkwam voor controle en hij mijn dossier zag, keek hij verheugd op. ‘Oja, jij hebt siliconen h√®’, en bijna stralend keek hij me aan. Daar was ik dan, zijn gelukte proefkonijntje. En nee, ik heb geeneen keer die grap gemaakt, die was echt t√© voor de hand liggend. Helemaal echt is¬ niemand. Het vlees is te zwak om een heel¬ mens in leven te houden.

Over een vrijwillige molenaar of de kunst van het verwonderen

maandag 16 oktober 2006

De vrijwillige molenaar was erg enthousiast en legde met alle liefde van de wereld uit hoe de poldermolen werkte. Ik¬ stond bovenaan in de molen. In het midden draaide een zeer grote, houten as rondjes. Er draaide wel meer daar, tandwielen bijvoorbeeld.¬ Alles was van hout. Het rook er naar verbrand hout, de houten molenmuren zagen zwart van de rook. Uitgebreid legde de vrijwillige molenaar uit hoe de molen werkte. Wat waaraan vastgemaakt moest worden om ervoor te zorgen dat dit of dat gebeurde. Het werd me duidelijk dat het vooral zeer zwaar werk was. Hij had een guitig boerenpetje op, een overal en klompen aan. Net echt.

Zijn uitleg over de werking van de molen interesseerde me in het geheel niet. Ik probeerde een gaap te onderdrukken en tegelijk nog steeds ge√Įnteresseerd te kijken, wat¬ best lastig was. Het enige wat ik wilde¬ was me¬ verwonderen over die grote tandwielen en assen, over het idee dat hier een gezin met tien kinderen had gewoond in piepkleine bedsteden. Maar de vrijwillige molenaar gaf niet zomaar op. Hij bleef me aankijken en ik voelde me¬ verplicht af en toe wat meelevend commentaar¬ te geven (‘zo!’ of ‘wat zwaar!’)¬ wat alleen maar tot gevolg had dat hij verder bleef praten.¬ Toen de molenaar nieuwe luisteraars kreeg,¬ glipte ik ertussenuit. Onhandig klom ik de steile trap weer af.

Helemaal beneden in de molen zat een glazen vloer. Daaronder zag ik water woest stromen tussen houten schotten door. De schotten hadden uiteraard een belangrijke functie, maar die wilde ik absoluut¬ niet weten. Mijn nieuwsgierigheid was tot nul gereduceerd maar met mijn vermogen tot verwonderen zat het wel goed.

Sjorsie is dood

zaterdag 14 oktober 2006

En weer mixte het niet. Aan de ene kant van het vuur stonden wij, aan de andere kant stonden zij. Het vuur was aangemaakt met stoelpoten, tafeltjes, met al het hout dat er op een scheepswerf te vinden is (veel!). De vlammen waren hoog en heet. Het stalen onderstel van een opklaptafel lichtte vuurrood op.

De scheepswerf heeft haar eigen bewoners, al dan niet wonend in een caravan of keet, en wij bevonden ons op hun terrein. Nieuwsgierig en tegelijk achterdochtig bekeken we elkaar. ‘Weer eens wat anders’, zo grinnikten we naar elkaar. Maar tegelijk voelde het heel vreemd en waren we buitenstaanders.

Ze droeg een zwart bomberjack en ze had halflang blond haar. Haar gezicht had grove trekken. ‘Ik heb ook nog slecht nieuws!’ schreeuwde ze plotseling naar niemand in het bijzonder. ‘Sjorsie is dood. Hij woonde daar in een caravannetje en nu issie dood. We zijn gister op z’n begrafenis geweest, iedereen was er. Z’n hele familie, uit Amerika, uit Duitsland, uit Zweden, echt iedereen. Hij had een maagzweer.’

Het was moeilijk laveren tussen wel en geen aandacht geven. Ze schreeuwde om aandacht, maar je menselijke kant werd snel afgestraft als je met haar in gesprek ging. Ze schold en vloekte zodat je maar liever deed alsof ze er niet was. Wat onmogelijk was. Ze maakte zich verdienstelijk, sleepte hout aan en verloor bijna haar evenwicht toen ze een veel te groot tafelblad in het vuur gooide.

De aanwezigheid van de alcoholistische en maatschappij-vreemde figuren beinvloedde de sfeer van het feestje. Al was het ons bier, het was hun terrein en hun leven waar wij binnendrongen. Aangepast tegenover onaangepast. De blonde vrouw begon weer te schreeuwen. ‘Jullie weten echt niks!’ En in bepaalde opzichten had ze helemaal gelijk.

Duimring

vrijdag 13 oktober 2006

Ik was te laat van huis weggegaan en daarom moest ik heel hard doortrappen. Het was nog vroeg, of eigenlijk niet vroeger dan het elke dag om deze tijd was, maar toch, de dag was net begonnen. Ik twijfelde of ik wel de snelste route had gekozen want waarom moest ik anders zo hard fietsen. De sjaal was al snel te warm. Alles werd te warm. Het weer, dat zich weigerde herfstachtig te gedragen, mijn kleren die niet meer op de zomer waren ingesteld, samen met de altijd aanwezige angst om te laat te komen.

Met het te laat viel het mee. De koffie werd nog geschonken en handen werden geschud. Naast mij stond een net uitziende heer, een vlekkeloos gestreken overhemd aan, keurige bril, heel schoon. Ik daarentegen had het nog heter dan na het sporten. Kwam er geen stoom van mijn bezwete lichaam af? En erger, stonk ik niet heel erg? Het heertje leek in elk geval geen last van mij te hebben. Hij schudde vriendelijk mijn hand en stelde zich voor. Toen zei hij: ‘je draagt een duimring he?’ Inderdaad had ik een ring om mijn rechterduim. ‘Ik dacht eerst dat je een pleister om had’, vervolgde hij. ‘Vind je dat niet eng? Ik zou zo bang zijn dat ie er niet meer af kon.’

Ineens vond ik het een beetje intiem worden. Het feit dat ik een ring droeg om mijn rechterduim was heel iets anders dan een ‘duimring’ hebben. Zo leek het net alsof het in de sfeer van verborgen tatoeages en piercings viel. Maar ‘nee hoor’, zei ik. ‘Hij gaat er heel gemakkelijk weer af, kijk maar.’ Ik haalde de ring met een licht wringen van mijn duim af. En deed ‘m er weer om. Met deze beweging bereikte ik niet dat de intimiteit verminderd werd. Zweet druppelde zich een weg naar buiten.

Ik dacht aan douchen, aan naakte eenzaamheid.

Puzzelboek

woensdag 11 oktober 2006

Ik had mail met een code erin. Als ik deze code doorbelde, jawel, gratis, dan maakte ik kans op een lcd-tv.¬ Bovendien kreeg ik ook een gratis puzzelboek thuisgestuurd.¬ Ik pakte¬ gelijk de telefoon maar. Anoniem was ik nu toch al niet meer want in de mail stond pontificaal mijn naam en adres. Een telefoontje kon er¬ ook nog wel bij. Volkomen onverwacht kreeg ik een echt iemand, een manspersoon,¬ aan de telefoon in plaats van het bandje waar ik op hoopte. Een beetje anonimiteit aan de telefoon verlang ik eerlijk gezegd toch wel. Live of niet, hij klonk wel als een bandje want het lukte me niet om ertussen te komen. Hij leek lichtelijk van z’n stuk gebracht als ik tussendoor iets zei wat niet volgens zijn verwachtingspatroon verliep.
Hij voerde mijn code in en¬ mijn gegevens¬ werden geactiveerd. Dat klonk best spannend en ik kon niet wachten om te horen dat ik de winnaar was. Maar ik moest nog even geduld¬ hebben. Mocht ik de winnaar zijn, dan werd ik daar later over teruggebeld. En dan nu het puzzelboek. Als dank (waarvoor?) kreeg ik geheel gratis het nieuwe, dikke (yes!) puzzelboek thuisgestuurd. Ik brabbelde ‘o, leuk’ tussen zijn spraakwaterval door.

‘Voor maar 4,95 verzendkosten’.

De spraakwaterval hield nog¬ even aan. Het ging over prijzen die er in elk puzzelboek te winnen waren, elke maand weer. Geen abonnement. Wat dan wel wist ik niet, want het leek er verdomd veel op. Hoe was ik¬ ook alweer in deze puzzelboekenverhandeling beland? Ik die een keer per jaar de puzzel in de eindejaarseditie van een of andere krant poogde op te lossen, maar verder echt helemaal niets met puzzels had? Omdat het me niet lukte hem het zwijgen op te leggen, wachtte ik¬ onrustig af. Nog net niet met de hoorn van mijn oor af.

‘Ik wil toch geen puzzelboek’, vertrouwde ik hem na afloop toe. Hij was verbaasd. Bijna stomgeslagen. Had hij me daarnet nou niet ‘o, leuk’ horen prevelen? Hij vroeg wat de reden was van mijn desinteresse. Ik vertelde eerlijk dat ik nooit puzzelde en echt helemaal niks om puzzels gaf (die ene per jaar verzweeg ik even om niet nog verder in de problemen te raken). ‘Jamaar je hebt een hele maand om die puzzels te maken’, probeerde hij nog. Dus toch een abonnement?¬ Ik had ‘m wel door! ‘Nee echt niet’, hield ik dapper vol. Hij klonk steeds minder aardig, minder enthousiast.

Plotseling¬ kreeg hij een helder inzicht en week zowaar van zijn script af. ‘Het zijn die verzendkosten van 4,95 h√®?’, wist hij ineens. En ik kon niet anders dan hem gelijk geven.