Archief van categorie 'algemeen'

Doet u aan voodoo?

zondag 12 november 2006

‘Mevouw, doet u aan voodoo?’, vroeg een van de Marokkaanse jongens die net tegenover zus en mij waren komen zitten in de metro. Deze vraag was minder vreemd dan het leek, want aan de tas van zus hing een mummie-achtig poppetje van touw. ‘Nee, dat vind ik een beetje zielig’, zei zus. ‘Maar das toch wel grappig, dat je dat poppetje een duw geeft en dat er iemand die in de stad loopt dan zomaar omvalt?’ Dat vonden wij zelf eigenlijk ook heel erg grappig. De jongen, een jaar of vijftien, werd afgeleid door een grote groep wat oudere mensen die met z’n allen verderop in de metro een juichend geluid voortbrachten. ‘Dat is toch uit man’, zei hij. ‘Een beetje met z’n allen lawaai maken, dat moet ieder voor zich doen’. Een vrouw van de groep stapte uit, de deur ging dicht en de groep zwaaide enthousiast naar haar. De vrouw bleef nog even staan en zwaaide terug. ‘Kijk ze nou ’s blij zijn met z’n allen. Ze gaan lekker met elkaar naar een feestje en zij mag niet mee, kijk ze lachen. Gemeen hoor.’

Toen verschoof z’n aandacht weer terug naar het voodoopoppetje. ‘Maar je ex dan, dat is toch wel grappig? Die haat je natuurlijk.’ Zus moest toegeven dat ze nog goede vrienden was met ex en dat ze om die reden liever geen voodoopraktijken op hem uit wilde oefenen. Daar snapte hij niets van. ‘Hoezo vrienden, wat is dat voor bullshit? Je smst ‘m gewoon en zegt “hee man, we passen toch niet zo bij elkaar, maar we kunnen vrienden zijn, zullen we morgen wat leuks gaan doen?” Dat is toch belachelijk? Met je ex heb je toch, hoe zeg je dat, “dingen” gedaan? Dan wil je diegene toch nooit meer spreken?’

Met zijn vijftien jaar zat in het woord ‘ex’ waarschijnlijk een iets kortere geschiedenis dan in het onze. ‘Ik zag laatst een vriendin van m’n ex en weet je wat die hoer zei?’ ‘Hoezo noem je haar een hoer? Let een beetje op je woorden’, bemoeide zijn vriend die zich wat meer op de achtergrond hield er nu mee. De metro stond stil op een halte en op het perron zagen ze een meisje dat ze kenden. Ze probeerden haar aandacht te trekken door op het raam te kloppen en gebaren te maken. Het meisje deed of ze niks zag. ‘Haha ze herkent je niet eens man!’, zei de mondigste van de twee.

We kwamen helaas aan bij onze halte. ‘Zijn we al bijna bij het centraal station?’ vroegen ze. We kregen het ernstige vermoeden dat ze in de verkeerde metro gestapt waren want de metro was hard op weg de tegenovergestelde richting op te rijden. Maar een paar nieuwe inzichten rijker betreurden we dit allerminst.

Auberginerolletjes met mozzarella in verse tomatensaus

vrijdag 10 november 2006

We zaten in een Italiaans eethuis. Zonder pizza’s, maar met een echte Italiaanse mama en echte Italiaanse zonen. De mama had een grof gezicht, donkere krullen eromheen, en een stem als van een man. De zonen renden voor haar. De zonen waren ook heel Italiaans met hun voorkeur voor blond. Mijn tafelgenote was blond. Af en toe moesten we moeite doen om ons eigen gesprek voort te zetten, zoveel aandacht kreeg ons tafeltje. Er zaten ook voordelen aan; zo hoefde de wijn niet betaald te worden.

Aan het tafeltje achter ons zat een verliefd stel. Dat zag je omdat man en vrouw zich regelmatig over het tafeltje bogen om elkaar te zoenen. Liefde is mooi om te zien, maar dit was eerlijk gezegd nogal irritant. Want als je je tafelgenoot aankijkt tijdens een serieus (of minder serieus) gesprek, dan wil je niet vol in beeld een zoenend stel hebben. Tenminste, ik niet. Ooit had ik een soortgelijke ervaring: aan de overkant van de tafel zat mijn afspraak met wie ik tot dat moment nooit verder was gekomen dan een goed gesprek, dus dit was een cruciale avond. Maar steeds als ik hem aankeek, zag ik achter hem een stel dat heel wat verder ging dan een goed gesprek en elkaar liefkoosde dat het een lieve lust was. Dat was lastig concentreren.

Waar de verliefden in de Italiaan over spraken tussen het zoenen door kon ik niet horen. Maar ik luisterde met andermans oren naar ons eigen gesprek. Als ik nu mij was aan een ander tafeltje, naast de converserende mij, dan had ik mij vast heel irritant gevonden. Ik was blij niet naast mij te zitten. Maar mij was alleen en niemand luisterde mee.

Terug in de trein vertelde een jongen aan een vriend over zijn uitgaansavond: ‘Toen gingen we ook nog shoarma eten maar dat ging ’n beetje mis. Ik kon me niet op die shoarma concentreren.’ De vriend accepteerde dit als een feit en vroeg niet verder.

Geld te koop

woensdag 8 november 2006

Soms lijkt het wel alsof iedereen op mijn geld uit is. De Iranier natuurlijk, van wie ik o zo zeer hoop dat hij Oprecht was. Dat hij mijn geld echt gebruikt om mensen te redden. Misschien ben ik¬ naief, maar soms wil ik dat ook zijn. Wil ik geloven in de goedheid van de ander. Overigens trof de Iranier mij in zo’n verwarde toestand vanwege het fietslichtje dat dat de reden moet zijn geweest¬ mij aan te klampen. Ik ben geneigd te denken dat ik anders¬ ‘nee, een paar euro kun je krijgen maar een acceptgirokaart ter plekke invullen¬ gaat me¬ te ver’ gezegd zou hebben. Het zij zo.

De gebodywarmerde jongens en meisjes van verschillende goede doelen. Die het niet meer geloven als je zegt ‘ik ben al lid’, terwijl dat¬ soms wel echt het geval is. De goede doelen zelf waar ik lid van ben en die niet genoegen nemen met mijn maandelijkse afschrijving¬ en samen met hun opbeurende¬ lectuur ook nog altijd een acceptgirokaart meesturen. De krantenjongens en -meisjes in de stad die vragen ‘gratis krantje?’ en als je je hand uitsteekt om ‘m aan te pakken je een abonnement aansmeren (‘nee u zit nergens aan vast’.)

Zelfs toen ik vorige week in een heel gewone winkel was, iets heel gewoons kocht, met echt geld betaalde, vroegen ze om meer. Of ik een klantenkaart wilde kopen voor 10 euro (nee, zei ik) en of ik een bijdrage had voor een¬ fonds voor mishandelde kindertjes dan wel een product wilde kopen waarvan een deel van de opbrengst naar die kindertjes toeging. Ik ben er zelf nog niet uit hoe geld kan bijdragen aan het¬ voorkomen van het mishandelen van kindertjes. Maar ik heb nu wel een lippenbalsem in m’n tas zitten die mijn lippen¬ lijkt uit te drogen in plaats van¬ te balsemen.

Over de¬ dagelijkse confrontatie met¬ de¬ daklozenkrantverkoper wil ik het niet eens hebben. Hij zorgt ervoor dat ik mij een naar mens voel. Als ik¬ alleen gedag zeg en niks koop voel ik mij schuldig. Als ik wel iets koop ook.

Misschien valt er toch iets te zeggen voor een ruilsysteem. Geld maakt dat ik een hekel krijg aan mensen, mijzelf incluis.

(Geen) fietslicht in de duisternis #2

maandag 6 november 2006

We schrijven ruim een week na het fietslichtincident. In die week heb ik nieuwe fietslampjes gekocht. De houdertjes zijn opnieuw bevestigd. De avond van het regenpak stond ik in de stromende regen woest te trekken aan de lampjes om ze uit hun houdertjes te schuiven. Bij de voorste lukte dit in het geheel niet, de achterste trok ik stuk.

De locatie is wederom de supermarkt. Ik ben er deze keer helemaal bij. Niks geen afwezigheid, ik ben de Alertheid Zelve. Daardoor valt het me gelijk op dat twee kleine jongetjes om zich heen spieden. Ik zie ze wijzen naar fietsen, waarschijnlijk naar losse lampjes. ‘Nee man, die fiets is van…’ meen ik er een te horen zeggen. Nu zit ik met een dilemma. Want ik krijg mijn voorste lichtje er nog steeds niet af. En weer kan ik niet bewijzen dat deze jongetjes daadwerkelijk van plan zijn lampjes te gaan jatten. Moet ik ze bij voorbaat beschuldigen en zeggen ‘van mijn lampje blijf je af?’ Weer vind ik dat te ver gaan. Ik haast me expres niet, doe alsof ik nog iets uit mijn tas moet halen en blijf langer staan dan nodig. Toch moet ik ooit de winkel binnen. Zonder lampje. Ik waag de gok en kijk nog een keer achterom.

Gejaagd loop ik de winkel door. Ik wil zo snel mogelijk weer buiten zijn om te zien dat mijn voorgevoelens niet kloppen. Er bestaan toch ook nog gewoon lieve jongetjes? Een ervan, de schattigste van het stel, zie ik in de supermarkt lopen. Ziejewel, denk ik, ze moesten gewoon boodschappen doen.

Twee stappen voordat ik de schuifdeur door ben, word ik aangeklampt door een man. Hij laat me in sneltreinvaart foto’s van martelingen in Iran zien, politieke gevangenen in een kale cel, ophangingen, verkrachtingen, laat ons zorgen dat dit nooit meer gebeurt. Ik durf niet te zeggen dat ik weg wil. Ondertussen probeer ik naar buiten te kijken maar kan mijn fiets net niet zien. Ineens komt de man met acceptgirokaarten aanzetten. Ik schrik. Dit is niet de bedoeling. Ik wil de maatschappij in Iran heus heel graag helpen maar zo? Dan moet ik ook nog kiezen uit astronomische bedragen, vink maar aan, 50, 100, 200, meer? Ergens helemaal onderaan op zijn papier zie ik de optie 25 euro staan. ‘Mag die ook’, hoor ik mezelf vragen. ‘Ik vind 100 euro een beetje veel.’

De Iranier bedankt me. Ik loop naar buiten. Ik zie mijn fiets. Ik zie geen licht. Het houdertje is gebroken.

Alstublieft. Laat er een Iranier gered zijn.

Op zoek naar een verwenteld schaap

zondag 5 november 2006

Ooit klom mijn vader zomaar over het hek van een weiland. Met ferme stappen liep hij naar een omgevallen schaap toe en rolde het dier terug. De toegesnelde boer was dankbaar. Een schaap kan zichzelf namelijk, eenmaal te ver doorgerold, niet terugrollen. En dan gaat ie dood. Ooit, zo dacht ik, wil ik hetzelfde kunnen betekenen voor een schaap in nood.

Jaren later werd het ineens toch wel best plotseling vandaag. Zittend in de auto keek ik naar het voorbijschietende landschap. Ik dacht aan alles, aan niets. En toen zag ik het. In een weiland door een greppel gescheiden van de snelweg spartelde iets wits. Iets heel hulpeloos. Eindelijk was daar het schaap op z’n rug dat door mij omgedraaid kon worden. Mijn Dag was gekomen.

Ik sloeg alarm. Maar voor je ‘stop want ik zie een schaap op z’n rug’ kan zeggen kan het zomaar kilometers later zijn. De tijd gaat wonderbaarlijk snel op een snelweg. Bij de eerstvolgende afslag gingen we eraf en we belandden in een alleraardigste landelijke omgeving. Links van de weg was een dierencrematorium. We volgden een weggetje dat parallel aan de snelweg liep – maar wel een halve kilometer verder. Het weggetje werd een hobbelig zandpad vol kuilen en modder. En ineens hield de weg op. We konden niet zien waar het weiland van het gevallen schaap zich moest bevinden; dat wij er niet konden komen zagen we wel. Heel in de verte reden snelle speelgoedautootjes.

Desillusie en een gevoel van falen vergezelden mij op de weg naar huis. Desillusie omdat dit mijn Dag Van De Redding zou worden. Een faalgevoel omdat ik vast en zeker meer had kunnen doen.

Ik weet nog steeds niet of dit echt De Dag geweest is en ik mijn kans aan me voorbij heb laten gaan, of dat ik me vergist heb en De Dag nog steeds zal komen. Dat dit gewoon een heel andere dag geweest is.

Incognito

woensdag 1 november 2006

Ik wilde tijdens de Hollandsche moesson niet langer afhankelijk zijn van een nooit op tijd komende tram en schafte een regenpak aan. Dat was even wennen, en dat is nog steeds even wennen.

Want de regen is zo betrouwbaar nog niet. Als het nou gewoon aan een stuk door regent zoals het een echte moesson betaamt, maar niets is minder waar: het ene moment scheurt de hemel open, het andere¬ moment is¬ ze¬ weer keurig¬ gehecht. Zo stap je¬ helemaal ingepakt op de fiets¬ en kom je¬ kletsnat aan – maar dan van het zweet. Niet van de regen die zich op dat moment¬ toevallig heel even niet laat zien. Ik zou er bijna op wachten en¬ dan¬ pas vertrekken.

Gisteravond had¬ ik mezelf weer¬ ingeregenpakt. De regen kletterde tegen de ramen, de wind loeide om het huis.¬ Ik reed¬ weg op mijn fiets. En het was droog. Dat vond ik niet leuk. Ik wilde niet voor niets zo uitgedost zijn, in kledij waar ik me nimmer in zou durven te vertonen als het niet hoogst noodzakelijk was. Want ik vond¬ het ook nog eens verschrikkelijk om er zo uit te zien. Een dik plastic monster, zo voelde ik me. Ik zou niet herkend worden op straat. Gelukkig niet.

Vermomd fietste ik zo richting afspraak. Een kort moment was ik iemand anders. Dit was een ander gevoel dan ik verwacht had. Eindelijk kon ik de mensen om me heen eens met een anonieme blik bekijken. Vanonder mijn rode regenhoed (die ik bijna met twee handen moest vasthouden om het wegwaaien te verhinderen) spiedde ik in de rondte. Niemand zag me, want niemand zag míj. Op de plaats van bestemming aangekomen stond mijn afspraak te wachten en zag me niet. Herkende me zelfs niet toen ik dichterbij kwam. Het was heerlijk.

Oud nieuws (angst #2)

maandag 30 oktober 2006

‘Ben je bang om oud te worden?’, vroeg hij. Hij had het fotoboekje van Audrey Hepburn vast, waar ooit een opdracht speciaal voor mij in was geschreven. Niet door Audrey zelf natuurlijk, maar door de goede gever. De gever hoopte dat ik Audrey-oud zou worden. Oftewel, mooi oud, jong oud. Ik moest even nadenken over het antwoord. Bang was niet het goede woord. Tot nu toe was ik er aardig in geslaagd zonder al te veel veranderingen ouder te worden. Het vergde een ietsje meer discipline dan een jaar of tien geleden, maar al met al ging me dat aardig af. ‘Nee, eigenlijk niet’, zei ik dus maar.

Toch twijfel ik aan dit antwoord. Ergens klopt het niet. Want die mijzelf opgelegde discipline komt wel degelijk voort uit angst. Angst voor uitgelubberde lichamen, voor grijze haren teveel-om-uit-te-trekken, voor genegeerd worden op straat, voor niet gezien worden. Voor niet meer meetellen. Om heel eerlijk te zijn, ik ben best wel erg bang om ouder te worden.

Gelukkig is er meer dan alleen het lichaam om oud te worden. Waar ik niet voor hoef te vrezen, waar ik zelfs dankbaarheid voor mag tonen. Wat niet stijf van ouderdom wordt, maar juist soepel door gebruik. Want laat mijn geest maar groeien. Maak ‘m ouder, maak ‘m rijper, maak ‘m wijs. Laat ‘m weloverwogen en goed te beargumenteren meningen vormen. Maar laat ‘m niet volwassen worden. Er is zo veel meer dan dat.

Angst als clown onder het bed

zondag 29 oktober 2006

In het kader van de o zo oud-Hollandsche Halloween-traditie, zond de televisie enge films uit. Ik vond het tijd om korte metten te maken met oude angsten, om kinderangsten de deur te wijzen en besloot Poltergeist te gaan kijken. Poltergeist heeft destijds voor heel wat slapeloze uurtjes gezorgd na het in groepsverband kijken tijdens een feestje (in mijn herinnering meer dan eens).

Nu was het zoveel jaar later. De tijd was veranderd, en dat was gelijk een van de eerste dingen die opviel. De sc√®ne dat de vader aan de moeder vraagt terwijl ze in bed liggen ‘draai jij even een sjekkie voor me?’ zou je vandaag de dag niet zo snel meer tegenkomen. Een andere, zeer confronterende, verandering was dat de moeder van mijn leeftijd was (hierbij dien ik op te merken, de moeder was erg jong!). Met andere woorden, ik mocht me niet langer identificeren met de kinderen van acht en tien jaar, maar ik moest het met hun ouders doen. Dat was even slikken.
Verder was de hele entourage Рhet uiterlijk van de kinderen en de ouders, van het interieur, de mega-grote brillen van de spokenjagers Рzó jaren tachtig dat het lachwekkend werd. Dat had ik niet verwacht. Ook de echt eng bedoelde dingen (grote brillen zijn op een andere manier eng) zoals de poltergeist zelf waren lang niet zo eng als in mijn herinnering. Alleen de clownspop die grijnzend op een stoeltje in de slaapkamer zat, dat bleef vervelend om te zien; maar clowns zijn sowieso niet prettig.

Na de hele film zonder kussen voor mijn ogen te hebben uitgezeten, moest ik concluderen dat de Poltergeistangst voorbij was, zoveel jaar na dato. De tijd had de angst ingehaald. Gelukkig heeft de tijd me weer andere angsten teruggegeven. Ze zijn alleen van gedaante veranderd. Niet meer zo snel te herkennen. Ze zien er niet langer uit als een clown onder het bed. De volwassen angsten nemen de vorm aan van allesbeslissende keuzes. Van geen weg meer terug.

Over mij, merlijn

zaterdag 28 oktober 2006

De pagina over mij, merlijn zag er tot nog toe wat karig uit. Voor diegenen die graag meer willen weten over mij, merlijn, wellicht dat u voortaan met andere ogen leest.

Niemandsland

vrijdag 27 oktober 2006

Een koffiehuis. Geen café, geen lunchroom, gewoon een koffiehuis. De muren waren ouderwets lichtgroen geverfd, er lagen stekelige kastanjebollen en tamme kastanjes in de vensterbank, er was een leestafel met fotoboeken van het gebied voordat de bebouwing begon, voordat de buurt met de blonde kindertjes er was. Het was er fijn.

Aan een tafel zat een vader met zijn twee zoontjes. Het was een koffiehuis waar ze limonade met een rietje voor de kinderen hadden. Of gewoon een bruine boterham met kaas. De vader dronk een herfstbok. Aan een andere tafel zaten een wat oudere man en een vrouw, niet hip, niet yup, ze zaten daar gewoon. Te lachen. Een van de jongetjes stond tegen de leestafel geleund verlegen maar zeer ge√Įntrigeerd naar ze te kijken; hardop lachende oudere mensen, waar zie je dat nog.

Om de paar minuten kwamen er jongens en meisjes met grote muziekinstrumenten binnen. Veel cello’s, soms een viool of ze kwamen met een kist waarvan het instrument niet zo snel te duiden was. Ze verdwenen naar achter. Daar was een ruimte die afgesloten was door een schuifwand. Er zat glas in zodat je naar binnen kon kijken. Ze oefenden, het was geen publiek optreden. Heel bescheiden, heel beschaafd klonken de strijktonen naast elkaar, soms doorelkaar, maar steeds uitermate vriendelijk.

De zon scheen. Langs het raam liepen de hippe moeders met de blonde kindertjes voorbij.