Hoed u hoed je

donderdag 20 september 2007

Als het regent draag ik een hoedje. Een bruin, zacht, een beetje¬ Edward Hopper-hoedje dat ik in een tweedehandswinkel heb gekocht en dat waarschijnlijk van een reeds lang geleden gestorven oud dametje is geweest.¬ Het¬ heeft een ronde bovenkant die mijn ogen onder een afdakje houdt. Het waait niet af en het beschermt mijn ogen¬ tegen de regen.¬ Onder dat hoedje vind ik het niet erg als men naar me kijkt. Want onder dat¬ hoedje voel ik¬ me thuis.

Ik heb ook¬ een suede mutsje met bontrand, een beetje Russisch. Onder dat mutsje¬ ben ik geen Hopper-personage¬ maar meer een Oh-Nikita-you-will-never-know. Ook aan dat hoedje ben ik zeer gehecht. Dit is mijn tweede versie, want de eerste die ik bijna 15 jaar geleden in een geheel andere tweedehandswinkel op¬ z’n kop tikte, liet ik liggen in¬ een trein. Het was een samenloop van omstandigheden, met als belangrijkste omstandigheid: mijn hoofd was er niet bij. Het mutsje had ik naast me gelegd, maar mijn gedachten waren ergens buiten de trein, in een kil, naargeestig ziekenhuis. Zo kon het gebeuren dat ik er pas later op de dag achterkwam dat ik mijn mutsje vergeten was.

Ik vond het niet zomaar jammer, ik vond het verschrikkelijk. Het was niet een ‘wat maakt zo’n futiliteit nou uit in vergelijking met de begrafenis die je hoogstwaarschijnlijk binnen een week mee zal maken.’ Het maakte me juist alles uit. Het huilen stond me nader dan het lachen. Dit was trouwens de tijd dat ik nog geen kunsttranen nodig had en nog heel goed zelf mijn ogen kon bevochtigen.

Ik belde de verloren goederen-afdeling in Utrecht, de verzamelplaats van alles waar even niet aan werd gedacht. Ik moest een formulier invullen en opsturen. Zo duidelijk mogelijk had ik mijn mutsje beschreven. Een paar weken later kreeg ik een brief terug: het door u omschreven voorwerp is helaas niet gevonden. Ik weende bittere tranen.

Maar de tijd heelt een aantal wonden, al deed het af en toe opnieuw zeer als ik oude foto’s bekeek.¬ En toen werd het jaren later,¬ ongeveer een jaar geleden. Het¬ was in Groningen. In de hoek van een¬ tweedehandswinkel lag voor het raam een grote hoop hoeden en mutsen en andere niet nader door mij omschreven voorwerpen. En daar lag ie. Het was niet exact dezelfde, maar ze hadden in elk geval familie kunnen zijn van elkaar. Ik had¬ er alles voor¬ willen betalen. ‘Wat kost ie?’ vroeg ik zo nonchalant mogelijk, voorwendend eventueel best bereid te zijn zo’n vies oud ding van¬ de verkoper¬ over te nemen. ‘Twee euro’, zei de goede man. Ik dacht dat ik het niet goed verstond en gaf voor de zekerheid maar een briefje van twintig, al zat mijn portomonnee vol kleingeld.

En zo leven in uiteenlopende weersomstandigheden de hoofddeksels van hen die van ons heen zijn gegaan voort op mijn hoofd. Net zolang tot ik ze weer vergeet in treinen¬ of bussen en¬ op zoek moet gaan naar¬ nieuwe oude hoeden.

2 reacties:

  1. Ina:

    Prachtig verhaal. Ik moet aan het prentenboek van Ingrid & Dieter Schubert denken met de titel Monkey. Verder tekstloos. Dat moet je er voor de peuters zelf bij verzinnen. Het aapje van het jongetje (meisje?) wordt verloren en weer gezien – na ettelijke seizoen – achter een etalageruit. “Da’s MIJN aapje!!” was makkelijk verzonnen bij dit plaatje. En zo ook de opluchting in de stem.

  2. Anoniem:

    Doppie!
    :-)

Plaats een reactie