Boekenmeisjes

donderdag 23 december 2010

Als kind schijn ik een keer gevraagd te hebben in het huis van een vriendinnetje ‘waar zijn de boeken?’.  Dat kan ik me niet herinneren, maar ik kan het me wel voorstellen. Onze muren waren boekenkasten, in elke kamer. Kleurige en vrolijke muren waren het, vriendelijk ook. Nog steeds mis ik iets in huizen waar boeken de muren niet sieren.  ‘Heb je die allemaal gelezen?’ vragen mensen die geen boeken in huis hebben graag.  Dat was voor mij nooit een vraag. De boeken waren er, feit. Of ze nou gelezen werden of niet.

Lotus heeft een eigen boekenplank die haar meer bekoort dan de speelgoedkist. Alle boeken trekt ze eruit en heel doelbewust zoekt ze vervolgens een boek uit dat bekeken moet worden of voorgelezen. Voor het eerst heeft ze het volgehouden een heel verhaaltje uit te luisteren. Over kikker die een beertje vindt. Beertje wijst op een bladzijde  naar ‘waar hij vandaan komt’. Lotus wijst ook die kant uit. In het grote zoekboek herkent ze de uil van slechts een paar milimeter groot. ‘Oehoe’, zegt ze. Soms buigt ze zich voorover naar een plaatje om er een kus op te geven. Altijd op dieren. De kerstkaart met het roodborstje krijgt ook een kus.

Wij mochten vroeger de boeken in de boekenkast niet naar achteren duwen. Dat stond niet netjes. Lotus duwt de boeken erg graag naar achteren. Of ze haalt ze een voor een uit de kast om ze door te bladeren, op zoek naar plaatjes. Haar oma, die op maandag op haar past, zegt dan dat ze dat niet moet doen. Maar haar moeder is er wat minder streng in, gewoon, omdat boeken vrienden zijn, ook als je zelf nog niet kunt lezen.

Hand op je hoofd

vrijdag 19 november 2010

Iemand vertelde mij een keer dat zijn broer als kind altijd wilde dat zijn vader of moeder buiten een hand op zijn hoofd legde. Ik snapte dat gelijk.

Toen mijn dochter een paar weken oud was, hield ze op een dag niet op met huilen. Ik legde haar ten einde raad even neer op het grote bed en legde mijn handen om haar hoofdje. Ze stopte met huilen en viel in slaap.

Als ze nu gaat slapen, wil ze nog steeds dat we een hand op haar hoofd leggen, soms over haar ogen heen, soms op haar wang. Ze pakt je  hand en dirigeert die naar de gewenste plek. Dan wordt ze rustig en wacht ze de slaap af. Soms denk ik dat ze slaapt en haal mijn hand voorzichtig weg, maar dan pakt ze mijn hand weer vast en legt die rustig terug.
Ik zeg meestal ook nog zachtjes Berceuse nr. 2 van Paul van Ostaijen op, maar ze kan eventueel ook zonder. Zonder die hand niet.

Ik dacht erover na, daar in de donkere slaapkamer naast een steeds rustiger ademend kind. Het is natuurlijk het contact, maar in sterkere mate geeft een hand op je hoofd je misschien wel het gevoel dat je niet alleen bent in de wereld. Meer dan welke aanraking dan ook.

Leuk Google-woord

dinsdag 9 november 2010

Best veel mensen googlen op ‘duimring’. Dat wist ik niet, maar dat weet ik nu. Vier jaar geleden, toen ik tijd en mijmeringen in overvloed had, begon ik een blog, en een van de eerste stukjes die ik schreef ging over mijn duimring. Een ring die ik ooit voor een paar euro had aangeschaft en die het inmiddels al lang begeven heeft. Het was ook geen duimring, het was gewoon een ring om mijn rechterduim en verder niks. Ik schreef het stukje op 13 oktober 2006. Na een reactie een dag later bleef het enkele jaren stil. Totdat in april 2009 iemand op zoek was naar de betekenis van de duimring. Iets wat ik mijzelf nou nooit had afgevraagd. Weer bleef het stil, tot afgelopen maand, 26 oktober 2010. Er bleek nog iemand te zijn die naarstig op zoek was naar de betekenis van de duimring. En vandaag kwam het verlossende antwoord op de vraag die ik mijzelf nimmer gesteld had. Vier jaar en bijna een maand later. 

Vier jaar, een maand, veel grijze haren – eroverheen geverfd -,  drie banen, twee fietsen, een keuken, bijna 200 stukjes – elk jaar minder – tien paar schoenen (een wilde gok) en een kind later.

Waarschijnlijk komen ook op dit stukje weer meerdere reacties, de komende jaren. Duimringliefhebbers aller landen verenigt u hier. Ik bied een podium.

Theedoeken boenen het best

zondag 24 oktober 2010

Op een dag zat er een Thais echtpaar aan mijn keukentafel. Geheel onverwacht was dat niet, ik had immers zelf contact gezocht. We hadden hen nodig, of liever gezegd, de diensten van de echtgenote.

We konden het niet langer zonder hulp af. Elke poging tot het bedwingen van de chaos ontaardde in een nog heftigere tegenwerking van het huishouden. Kortom, het huis was niet langer te houden. Het gevoel een vijand in het huis te hebben verziekte de sfeer.

De eerste keer kwam ze op een dag dat ik vrij was.  Dat voelde enigzins ongemakkelijk. Nu moest ik dingen gaan zeggen als “wil je de vloer van de woonkamer dweilen” (want het kind heeft er drinken laten vallen etensresten gestrooid erop geplast en de katten hebben over dit alles heen gekotst) zonder vraagteken. Liever zei ik “ach zo belangrijk is het allemaal niet hoor, wil je nog wat koffie?” Maar ik snapte ook wel dat dat nou ook weer niet de bedoeling was en ik haalde bereidwillig verse dweilen in huis, want ze had de theedoeken gebruikt.

De tweede keer zei ik “ik heb nieuwe dweilen gekocht, ze liggen in de kast”. Ze lachte en zei niks. Na afloop lagen de dweilen nog ingepakt in de kast en de theedoeken uitgewrongen in de emmer. Ik dacht dat het misschien beleefdheid was, dat ze liever niet iets uitpakte wat nog nooit was gebruikt.

De volgende keer zette ik daarom zelf de emmer vast klaar, pakte de dweilen uit en legde ze in de emmer. Zelf moest ik weg. Toen ik terugkwam, in een schoon huis, lagen de dweilen weer netjes in de kast en de theedoeken uitgewrongen in de emmer.

Toen gaf ik het op en gaf mijzelf de taak nieuwe theedoeken te kopen. Wat ik tot op heden, enkele maanden later, nog altijd niet gedaan heb.

Noot: ik vind dit een tweeslachtig verhaal. Wat is de rode draad: Gaat het om het ongemak om iemand voor je te hebben werken en hoe daarmee om te gaan,  gaat het over iemand die theedoeken boven dweilen prefereert, of over de ik die niet durft te zeggen dat ze liever niet heeft dat haar theedoeken als dweil worden gebruikt? 

Varen zonder boot

woensdag 6 oktober 2010

Van onze verslaggever

AMSTERDAM – Dinsdagochtend omstreeks 09.00 uur liep een eenjarige inwoonster van de hoofdstad met losse handen in haar woonkamer van de boekenkast  naar de bank. Zij werd niet begeleid door haar moeder, en zij vond geen steun bij meubels. Haar armen, niet gewend om niets vast te pakken, slingerden naar alle kanten om evenwicht te zoeken. In haar rechterhand hield zij stevig een boek vast, de reden voor de grote oversteek.
De jeugdige stadsgenoot maakte zich met één stap los van de kast, en twee stappen later bevond ze zich midden in vijandig gebied. Even dreigde ze het niet meer vol te houden en maakte ze aanstalten om te gaan zitten. Aangemoedigd door haar moeder hervond zij zichzelf en liep ze dapper verder, haar blik op de bank gericht. Vijftien stappen verder had ze de veilige overkant bereikt en was de missie volbracht.

De eenjarige lachte trots, zij was het zich terdege bewust dat ze zojuist geschiedenis had geschreven.

Wezentje is mens geworden

woensdag 4 augustus 2010

Het wezentje is een mens geworden. Een mensje dat door het huis beweegt, dat hier woont. Ze schuift langs de boekenkast. Ze drukt Tolstoj naar achter.  In het gat dat ontstaan is, stopt ze haar hoofd. Ze pakt Brieven aan Doornroosje van Toon Tellegen. Ze gaat ermee op de grond zitten en bladert het boek door. Op z’n kop. Ze gooit het boek weer weg. Ze kijkt rond wat ze nog meer kan gaan doen.

Als de poezen eten krijgen, kruipt ze ernaar toe om ze te aaien, heel erg hard. Net zo hard totdat ze weglopen. Ze stopt een brokje in haar mond. Nee, schudt ze met haar hoofd als ik haar er volkomen vruchteloos van probeer te weerhouden. Ze lacht en neemt er nog een.

‘ s Ochtends stopt ze haar speen in mijn mond. Daar moet ze om lachen.  We delen nog niet precies dezelfde humor, maar we komen een heel eind.  Ze klapt niet meer bij de klaproos, maar nog wel onder het eten, als dat haar bevalt. Als ze yoghurt krijgt, spreidt ze haar armen uit in de hoop dat de volgende hap nog sneller komt.

Ze voelt niet meer zo babyachtig aan.  Ze kijkt soms nadenkend, soms heel kwaad, vaak vrolijk. Buiten wil ze de bladeren en bloemen voelen. Ze kijkt vogels na en wijst alles wat ze ziet aan. Er valt veel te wijzen. Ik vertel haar hoe de bloemen en vogels heten. Dat een poes een poes is en een hond een hond. Alles is nieuw. Alles is mooier met Lotus.

Reunie

zondag 13 juni 2010

Waren we na al die jaren nu dan eindelijk onszelf? Geworden wie we dachten dat we zouden worden? Er waren veel artsen en advocaten bij. Weinig creatieve beroepen. Er waren meer mét kinderen dan zonder, meer met twee dan met één kind, en we vonden elkaar aardiger dan vroeger. We waren opener. Geen onderscheid meer in groepjes en klassen.

Het oude gedeelte van de school zag er op veel plekken nog precies hetzelfde uit als toen. We gingen naar dezelfde wc’s, keken in de dezelfde spiegels waarin we ons spiegelbeeld van vijftien jaar geleden meenden te zien. Lokaal dertien was nog altijd het aardrijkskundelokaal, lokaal twaalf nog altijd het wiskundelokaal. Er hingen posters aan de muur, de krijtborden waren verdwenen. Soms droom ik dat ik terug naar school moet om nog een vak te halen. En altijd kom ik te laat in de les. Nare dromen. Maar nu was ik wakker.

Er waren docenten uit onze tijd. Op de ene oud-leerling reageerden ze enthousiaster dan op de andere. O jij. Er was een feest waar de muziek zo hard stond dat we elkaar niet meer konden verstaan zonder heel dicht bij elkaar te moeten staan. Ik sprak met iemand die ik ergens van kende maar die iemand anders bleek te zijn, iemand die ik ook  kende, maar weer ergens anders van. Verwarrende gesprekken.

Het feest ging door maar ik wilde een laatste trein halen, terug naar huis na deze trip down memory lane. De rest bleef, om herinneringen op te halen en het heden met elkaar te delen.  Ik trok mijn achttienjarige alter ego mee de trein in en probeerde weer een geheel te worden.

Taalgevoel

donderdag 27 mei 2010

Ik lees voor uit het bloemenboekje van Dick Bruna. Op elke bladzijde staat een bloem getekend. Tulp, margriet, sleutelbloem, madelief, klaproos…en ze klapt in haar handen.

Huis- tuin- en keukendilemma’s

zondag 23 mei 2010

Het blijft toch lastig, dat tuinieren. Of balkonieren moet ik zeggen. Veel dilemma’s. Onkruid weghalen, maar ook als het onkruid mooie paarse bloempjes heeft? Schiften in het aantal potten. We moeten minderen om plaats te maken voor, ik zeg maar wat raars, een opblaasbaar zwembadje, een zandbak in een schelp. De potten met de bijna dode planten gaan aan de kant, dat is makkelijk geselecteerd. Maar geef je ze dan ook gelijk helemaal geen water meer? Onthoud je een terdoodveroordeelde zijn laatste avondmaal? Ik deed iets lafhartigs ertussenin: een beetje water.

Vervolgens moeten die potten ook nog ergens heen. Op vrijdag komt het grofvuil langs. Maar is een pot met een op sterven na dode plant grofvuil? Schuldgevoel tegenover de stervende die jaar en dag bij ons heeft gewoond en nu plaats moet maken voor plastic troep.

Sowieso heb ik moeite met grofvuil. Het heeft iets pijnlijk intiems om dat wat je weggooit zo te kijk te zetten voor iedereen. Ook naar grofvuil van anderen kijk ik niet graag. Meubels die niet mooi meer worden gevonden, bevlekte matrassen. Ik hoef dat allemaal niet te weten.

Hoe de wereld groeit

maandag 17 mei 2010

We staan aan de kant en juichen toe, roepen dat ze haar beste beentje voor moet zetten. Haar beste beentje zit achter, dat is nou net het probleem. Ze lijkt in de knoop te zitten met zichzelf, we moeten ons ervan weerhouden in te grijpen.

Ze zucht en ze steunt, maar ze komt vooruit. Ontdekt stukje bij beetje hoe ze haar benen moet bewegen en haar armen moet neerzetten. De inspanning wordt beloond en ze is zomaar ineens aan de andere kant van het kleed aanbeland. Herstel: niet zomaar ineens, maar doelbewust en met uiterste krachtinspanning.

Ze ontdekt: benen zijn om op te staan. Handig om iets te pakken dat op tafel ligt. Met gekromde voetjes richt ze zich op en grijpt.

Zo wordt de wereld langzaam groter. Iets  aan de andere kant van de kamer is niet meer onbereikbaar. Maar ook: iemand die de deur uitgaat, is voor altijd weg. Geeft niks.