Archief van mei 2007

Hoe breekbaar glas is

maandag 28 mei 2007

‘Glas is breekbaar’, zei ik in mijn speech, die ik samen met zuster op vrijdagavond moest houden. Het was een zeer voor de hand liggende opmerking; de speech was namelijk gewijd aan een Britse glaskunstenaar. Wat moest ik verder over glas zeggen? Ik had eigenlijk geen idee. Ik maakte nog wat vergelijkingen met de wereld om ons heen (ook breekbaar) en het verband met de andere kunstenaar die exposeerde: kleurrijk.

Toen kwam de grap: als bedankje kregen wij een glazen schaal aangeboden van de glaskunstenaar. Hij liep op ons af, verstapte zich en liet de schaal in stukken op de vloer vallen. ‘Oooooohhh’, deden de aanwezigen. Gelukkig waren wij beter voorbereid: ‘Hierbij verklaar ik de expositie voor geopend!’

Daarna was het praten, wijn drinken (we hadden stiekem toch best tegen onze speech opgekeken), en een worst/kaasplankje. Enkele van de aanwezigen bekeken de uitgestalde glasobjecten en schilderijen van dichtbij. Anderen, voornamelijk van het vrouwelijk geslacht, renden direct op de kettingen af die de glaskunstenaar te koop had aangeboden. Weer anderen hadden genoeg aan de wijn en de kaasblokjes. Een verwarde man in een rolstoel, voortgeduwd door zijn vrouw die zo te zien al jaren genoeg had van dat duwen, sprak iedereen in het Engels aan.

Er verzamelde zich een groepje mensen om een van de pilaren met glasobjecten. Het object was geen gespreksonderwerp meer, er werd overgegaan op het leven, het leven hier in deze omgeving en in het algemeen. Van een afstandje bekeken we de galerieruimte en dronken van onze wijn, net ontsnapt aan de verwarde rolstoelman die we maar niet duidelijk konden maken dat wij zelf geen glaskunstenaars waren.

Toen was er gerinkel. Men schrok op. Keek verward naar de plek van de pilaar. Wij lachten wat en vertrouwden op weer een grapje van de glaskunstenaar. Die keek de situatie rustig aan en leek zich niet druk te maken, hoewel hij even daarvoor nog over een scheppingsproces van acht uur had gesproken. Consternatie. Men keek elkaar beschuldigend aan, deed ondertussen zelf snel een paar passen achteruit, alsof hij daar al die tijd gestaan had, ver buiten bereik van het glasobject.

Er kwam een ordinair stoffer en blik tevoorschijn waar geen design ooit vat op had gekregen. Maar het deed zijn werk en stofte de scherven op het blik. De glaskunstenaar pakte de overblijfselen van zijn object van acht uur op. ‘Is dit vaker gebeurd?’ wilde een van de bezoekers weten. De glaskunstenaar dacht lange tijd na. ‘In ieder geval een keer in Nederland, en verder…’ hij bleef lang stil. ‘Nee, dit was de enige keer.’

Over de doden

woensdag 23 mei 2007

Ze vertelde over een collega van haar man die plotseling overleden was. En dat al zijn teamgenoten (want daar werkte men in ‘teams’, wat een stuk saamhoriger klinkt of zou moeten klinken dan ‘afdeling’) persoonlijk werden opgebeld met het vreselijke nieuws. Toen ze die maandag weer op hun werk kwamen, werd er samen geluncht en praatten ze met elkaar over de overleden collega. Werken was even minder belangrijk, iedereen werd op zijn eigen manier met de neus op de feiten gedrukt.
‘Mooi’, vonden wij. ‘Hoe zou dat bij ons op het werk gaan?’ vroeg ik me hardop af.

Nou zo:
Een paar dagen later, op maandagochtend, kreeg iedereen een mailtje met in het subject ‘overlijden van…’ en dan zijn naam. In het zeer kale mailtje – op deze maandagochtend leek alles kaal, al stonden de bomen uitbundig groen te zijn – stond dat ‘hij op zaterdagochtend vroeg is overleden. Hij had vrijdagavond enorme hoofdpijn en raakte in coma. Daar is hij niet meer uitgekomen. Er is contact met zijn familie. Hij wordt vermoedelijk eind van de week begraven. We houden jullie op de hoogte.’ En ertussenin nog iets over hoe goed hij was in zijn werk, het woord ‘gedreven’ werd gebruikt, en ‘volledig inzetten voor’.

En dat was het. Er kwam geen nader bericht. Niemand had het erover. Het leek of hij werd doodgezwegen, al is dat eigenlijk een te flauwe woordspeling.

Buiten leek het pluis van de populieren de wereld te bedekken. Het probeerde zich een weg naar binnen te dringen, door ramen, door deuren.

I’m a lady

woensdag 16 mei 2007

Ze woont in een hofje. Of: Hij woont in een hofje. Ik weet niet precies hoe ik dit stukje moet beginnen.

Ze woont in een hofje en als je langs komt wandelen, even weg uit de drukke winkelstraat op zaterdagmiddag, zwaait hij blij. We kijken opzij en zwaaien enthousiast terug; zo vaak worden we tegenwoordig niet meer blij bezwaaid. We durven bijna niet door te lopen bij zulk een enthousiasme. ‘Lief hè’, zeggen we tegen elkaar. We maken ons rondje door het hofje af. Ondertussen komt ze haar piepkleine hofhuisje uit, zwaait nogmaals naar ons en gaat dan bij de ingang van het hofje staan, hier heeft hij tenminste goed zicht op alles wat er gebeurt, op iedereen die langskomt.

Hij staat al zolang ik me kan herinneren bij de ingang van het hofje. Ze heeft lang haar maar de afgelopen jaren is hij behoorlijk kaal geworden. Ze draagt een lange rok, en altijd lacht hij, altijd zwaait ze. ‘Dag mevrouw’, zeggen we dan beleefd, al meer dan twintig jaar lang.

Van oude mensen

zondag 13 mei 2007

Ter hoogte van de voordeur van een van de ouderlijk huizen zag ik ze uit de auto stappen. Twee oude mensen. Hij ondersteunde haar. Heel kort was de gedachte: ‘Hee, ze zijn er al, wat leuk om ze weer eens te zien.’ Zo kort dat deze gedachte niet eens als zin uitgedacht kon worden. Het was eerder een fractie van een gevoel. Want dat kon helemaal niet. Ze zijn allebei al jaren dood.

Er was een verjaardag. Er was kunst, heel veel kunst. Er waren mensen; familiemensen en kennissenmensen en vreemde mensen. ‘Ben jij je zuster of ben je het zelf?’ ‘Wat lijk je op je moeder!’ ‘Precies je moeder toen ze jong was.’ ‘Ben jij nou de oudste of de jongste?’ ‘Wat leuk om jullie weer te zien.’ ‘Ik had jullie niet herkend, wat zijn jullie veranderd.’

Later was er dansen in een kerk en gratis bier. Langzamerhand werden de familiemensen en de kennissenmensen vervangen door oude vrienden die blij waren ons te zien. Die ons direct herkenden en vonden dat we nog precies hetzelfde waren.

Schaamte en verontschuldiging

donderdag 10 mei 2007

Ik herkende het. Herkende de situatie.

Er was weer eens een projectgroep met personen die ik voor de eerste keer de hand schudde. Het eerste wat hij zei was niet zijn naam, maar ‘mijn waterflesje is ontploft’ en hij hield een halfleeg flesje voor zich ter illustratie. Ik zag niets aan hem, maar hij zat er mooi mee. ‘De helft zit over mijn kleren’. Later, toen de vergadering op het punt van beginnen stond, vroeg ik wat men wilde drinken. De ontplofte waterflesmeneer zei het nog een keer, nu temidden van alle aanwezigen: ‘Water hoef ik in elk geval niet, want dat zit allemaal al in mijn kleren.’ Nog steeds zag ik niks, maar ik snapte hem heel goed.

Want die keer dat ik bij een sportles mijn joggingbroek aantrok, toen was het kruis van die broek nat. Door een lekkend waterflesje in mijn tas. Maar ik móest die broek wel aan want in spijkerbroek die oefeningen doen, dat kon echt niet. En toen wilde ik aan iedereen die ik zag, zeggen: mijn waterflesje heeft gelekt. Dus denk niet dat er wat anders aan de hand is. Zoveel mogelijk mensen moesten het weten.

Nog steeds weet ik zeker dat er mensen zijn die mij herkennen als dat meisje dat in haar broek had geplast.

De smaak van de stad

dinsdag 8 mei 2007

Het schrijven wil tijdelijk niet zo vlotten. Het kan zijn dat niemand dat opmerkt. Ik hoef aan niemand verantwoording af te leggen, maar het veroorzaakt toch enige innerlijke onrust. Enerzijds is er een onrust die het schrijven verhindert, anderzijds een tweede onrust die ontstaat door niet te schrijven. En ze heffen elkaar niet op.

Nouja, het zij maar even zo.

Ik wil toch wel weer eens wat mededelen. Ben toch aan het wachten en een wachtend mens is van zichzelf al onrustig, dus dat kan er ook nog wel bij.
Op de plaatselijke zender AT5 is elke dag een item De smaak van de stad. Dat gaat niet over eetgelegenheden, maar over een plek in Amsterdam die voor de BA’er uit het item een bijzondere bijsmaak heeft. Positief dan. Op het einde van het filmpje staan ze altijd met hun armen gespreid en worden ze gefilmd vanaf een hoge of verre plek (of de camera zoomt uit, daar wil ik vanaf zijn). Meestal vind ik iedereen in die filmpjes stom. Ik ben geen BA’er, maar mocht het geval zich voordoen dat ik ooit word gevraagd, dan heb ik al een filmpje bedacht. En ik ben natuurlijk helemaal niet stom.

Locatie: Regulierbreestraat ter hoogte van Albert Heyn. Fietspad. De tv-kijker ziet mij daar staan terwijl alle fietsers geirriteerd uitwijken; wat sta je daar nou stom op het fietspad, ga ’s aan de kant. Nu moet ik aan de kijker vertellen waarom deze plek voor mij een bijzondere smaak heeft:

‘Toen ik in Amsterdam kwam wonen en nog maar net een fiets had, was ik een heel blije fietser. Ik voelde me er helemaal bijhoren. Ik zat bijna altijd lachend op de fiets. Dat kon natuurlijk niet altijd voortduren. Op een dag droeg ik een spijkerbroek met wijde pijpen (en nee, het waren niet de jaren ’70, maar dat zou je heus wel weten als je me dit zag vertellen). Ter hoogte van de Albert Heyn kon ik ineens niet meer trappen. Ik zat vast. Mijn pijp zat in mijn – onbedekte – kettingkast. Ik reed niet zo hard en wist mezelf op de stoep in veiligheid te brengen. Maar toen. Kreeg ik met geen mogelijkheid mijn pijp uit de kettingkast. Ik trok ik sjorde, was allang bereid mijn pijp kapot te scheuren, maar niets hielp. Het leek of heel Amsterdam mij passeerde, ik stond daar stom te trekken en durfde niemand om hulp te vragen. En toen was daar dat meisje. ‘Zal ik je even helpen?’ vroeg ze. Ik stond nog net niet te huilen, maar veel langer had dit alles niet moeten duren. Het meisje trok aan mijn pijp, ‘ik ben bang dat ik ‘m wel kapot moet scheuren’, en eindelijk was daar het langverwachte geluid van scheuren. Ik was bevrijd. Ik bedankte het meisje, maar wist niet genoeg woorden om aan te tonen hoe dankbaar ik was.

Met mijn rechterbeen zo ver mogelijk van de kettingkast af fietste ik verder. Minder onbesuisd, volwassener, een ervaring rijker. Ik wist nu dat kettingkasten eropuit waren je op te slokken, hun tanden in je broek te zetten. En ik wist dat het meest behulpzame meisje dat er bestond, in Amsterdam woonde.’

Ik spreid mijn armen en de fietsers kijken nog geirriteerder, boos, een waagt het zelfs te zeggen dat ik op moet rotten.

Ik dacht dat je iemand anders was

dinsdag 1 mei 2007

Ik fiets de stoep af, de straat op. Er rijdt een motor van de ANWB langs. De motorrijder is strak in het pak terwijl ik in hemdsmouwen richting destaduit fiets. ‘Hee!’ roept hij. Ik besluit niet te reageren en fiets door. Als ik bijna de straat uit ben, rijdt hij ineens naast me. Hij is dus helemaal omgedraaid met die zware motor – vandaar mijn straatlengtevoorsprong – om naast me te komen. Ik kijk opzij. ‘Sorry’, zegt hij, ‘ik dacht dat je Barbara was’.

Nu vind ik het persoonlijk niet spijtig dat ik Barbara niet ben. Ik verontschuldig me dus niet voor het niet zijn van Barbara. De ANWB-motor draait zich beschaamd om. Een beetje spijtig vast ook wel, want als je je zware motor eerst tot stilstand brengt, omdraait om een meisje achterna te rijden, dan wil je vast heel graag dat dat meisje Barbara heet.

Ik herken het wel. Zelf ben ik ook vrij slecht in het herkennen van gezichten. Dat heeft niets met desinteresse te maken, waar wel mee, dat weet ik dan weer niet. Soms meen ik ook iemand wel te herkennen. Ik ben in staat om iemand gedag te zeggen, en dat heb ik dan ook wel eens gedaan, van wie ik later bedenk dat diegene in Groningen woont en nooit zijn boodschappen in mijn supermarkt kan doen. Toch vind ik de aanwezigheid van diegene op dat moment op die locatie volkomen normaal.

Ik fiets verder en vraag me af wat Barbara op dit moment aan het doen is. Misschien doet het er uiteindelijk ook niet zo heel veel toe wie nou wie is. Ik had het net zo goed wel kunnen zijn.