Archief van april 2007

Wij willen geen genie zijn

woensdag 25 april 2007

‘Zitten er nog genies in de zaal? Ik heb een genie nodig.’ Wij duiken weg. Proberen oogcontact te vermijden. Nu ben ik gelukkig nooit het genie dat hij zoekt, maar de rest van de kamer wil ook geen genie zijn. ‘Hij doet het niet hoor’, zegt hij zonder enige hoop in zijn stem. Hij heeft het geloof in¬ apparaten al langgeleden verloren. ‘Ik snap er niks van.’¬ Een van ons staat op, onderdrukt een zucht, en loopt mee naar zijn kamer. De kamer van de mopperaar, de Verongelijkte.

Er kwamen nieuwe computers. ‘Krijg ik er ook een?’ vraagt hij zo blij als een kind. Hij krijgt er een. Op de dag dat de computer zou komen staat hij rond het afgesproken tijdstip buiten op de gang te wachten. ‘Waar blijven ze nou? Ze komen niet meer h√®?’ Hoe had hij ooit durven dromen dat dit echt door zou gaan. Hij gaat zijn kamer weer in. Plakt een briefje op de deur voor het geval ‘ze’ toch nog mochten¬ komen: ‘Jullie kunnen mij vinden in…’

Eerder gebruikte hij het woord ‘whizzkids’. Zelfs heeft hij het gepresteerd om mij een keer voor te stellen aan iemand als ‘webmistress’. Lange tijd voelde ik mij toen als ik hem tegenkwam alsof ik gehuld was in zwart leder.

Even is er blijdschap als de computer een dag later toch nog op komt dagen. Een nieuw speeltje, afleiding, even iets anders dan het eeuwige zelfde uitzicht. Maar daar is hij alweer. ‘Hij doet het niet ik snap er niks van¬ ik heb een genie nodig.’

Ik wilde een schipper

vrijdag 20 april 2007

Ooit wilde ik een schipper. Het leek zo ideaal: wekenlang zou hij Op Zee zijn en ondertussen zou ik een eigen huis hebben en een eigen leven leiden. Als Schipper dan terugkeerde van zijn verre reizen zou ik dansend op de kade staan om mijn liefde, warrig blond haar en uiteraard een schipperstrui aan, weer in de armen te sluiten. Samen zouden we een paar mooie weken vol passie beleven, totdat ik genoeg van hem had en hem lachend weer uit zou zwaaien op de kade.

Een tijdlang zwierf ik door havens om mijn schipper te vinden. Ik was bang dat hij mij niet zou herkennen, want zagen schippersvrouwen er wel uit zoals ik? Straks werd ik aangezien voor een stads trutje, of erger nog, voor een schippersgroupie. ’s Avonds ging ik naar shantikoren en bezong de romantiek en gevaren van het zeeleven. De shanti-zangers waren helaas allen nep-schippers en speelden maar dat ze ervaring hadden op de grote vaart. In werkelijkheid waren ze bankmedewerker, of vuilnisman.

Het ging anders. Ik werd verliefd op een niet-schipper. Wat was ik blij dat hij elke dag om zes uur weer voor mijn neus stond, ik moest er niet aan denken om hem tijdenlang te missen. ‘Ga je nooit meer weg?’ vraag ik hem, ‘ook niet om schipper te worden?’ Dan stelt hij mij gerust en belooft mij mee te nemen als het verlangen naar zee hem op een dag teveel zal worden. Om mij een plezier te doen trekt hij af en toe een blauwe schipperstrui aan en ik fantaseer de ruwe handen en de geur van zout erbij.

On a mission

woensdag 18 april 2007

Ze draagt een nette rok die ze slechts een keer eerder op een bruiloft heeft gedragen. Bordeaurode laarzen eronder zodat er maar tien centimeter panty te zien is. Gelukkig, want haar been in panty lijkt op een kunstbeen, zo’n wassen geval, doods. Ze zou veel te snel een ladder in die panty trekken, maar dat weet ze op dat moment nog niet. Zwart truitje, voor het weggaan de kattenharen met tape eraf getrokken. Zo bereidde zij zich voor.

Fietsend langs het IJ. Haar leven speelt zich de laatste tijd veel aan het IJ af, en dat vindt ze prettig. Het is tien graden kouder dan de dag ervoor, de neus snottert. Al bij het de straat uitfietsen bedenkt ze zich dat er geen zakdoeken in haar tas zitten. Ze hoopt van harte dat de neus zich netjes gedraagt. Bij de pontjes achter het station fietsen mensen nog snel het dek op. Ze vindt dat wel iets hebben, dagelijks een pont moeten nemen om naar huis of werk te gaan. Maar niet iedereen vindt dat iets.

‘Zal ik de deur voor je open doen?’ vraagt een jongen die haar zoekend de naambordjes af ziet speuren. Ze loopt met hem mee naar binnen en ze moeten allebei de lift naar boven hebben. Er hangt een spiegel in de lift en ze buigt zich voorover om verdwaalde mascara te ontdekken. Die heeft de gewoonte boven haar oogleden te kleven, vooral na een fietstocht. Maar ze ontdekt zo goed als niets. Ze doet haar haar goed (warrig). De jongen heeft haar door. ‘Heb je soms een…?’ vraagt hij en ze moet lachen. Hoe doorzichtig kan je zijn. ‘Zie ik er goed uit?’ vraagt ze en ze moet denken aan die keer in de toiletten van een caf√© waar geen spiegel hing maar wel een jongen stond. ‘Wil je even als spiegel fungeren?’ vroeg ze hem en deed haar ogen dicht zodat hij beter kon zien of er verdwaalde mascara zat. Ook de jongen in de lift vindt dat ze er goed uitziet.

Ze stapt uit de lift. Haalt diep adem en klopt op de deur.

Hervonden vriendschap

vrijdag 13 april 2007

Er was een groot terras, er was een weids uitzicht over het IJ, en er was wij. Er was geen ongemak, er waren geen stiltes, of overpeinzende stiltes op de juiste tijd, en er was jaren bijpraten. Ondertussen gaven we elkaar herinneringen terug.

Waren we veranderd? Wat ouder, misschien wat wijzer, misschien wat zelfverzekerder. Er waren nu andere dingen om over na te denken dan school, muziek en uitgaan. Maar veranderd? Ik vond van niet. We lachten om dezelfde grappen, vonden vroeger terug, wisten weer waarom.

Het werd donker. De riviercruise onder Duitse vlag draaide vlak voor ons terras en iemand zwaaide.

Iemand die het leven grijpt

maandag 9 april 2007

Joost woont op de ADM-werf, een van die terreinen bij de havens van Amsterdam, bij het industriegebied dat me zo lief is,¬ een vrijplaats voor kunstenaars. Er staan caravans, bewoond of niet bewoond, loodsen, en half of helemaal gesloopte auto’s. Joost is altijd bezig, zijn hoofd zit vol ideeen. Hij heeft een vliegtuig gebouwd waar hij in heeft gevlogen, en een houten auto die rijdt op blokken hout. Met die auto is hij helemaal naar Oost-Europa gereden. Ook heeft hij in een woestijn, op een totaal verlaten plek, een poort gemaakt. De poort opent automatisch als hij met zijn auto nadert. We zien hem lachen als hij ziet dat het werkt.

Joost filmt alles. Ook zijn buurkinderen op de werf die niet naar school gaan maar als rasechte Pippie Langkousen een eigen leven leiden op het terrein. Elke dag ontdekken ze nieuwe werelden. Ze slopen oude caravans, bouwen hutten, bakken eieren op een gaspit middenin een veld en eten het met modderhanden op. Ze stelen brood uit een opslagruimte (‘Ja dat mag, anders zetten ze het in de regen en gooien ze het weg. Dat vinden wij zonde.’) Ze springen van hoge zandbergen af, over sloten heen, bouwen bruggen, belanden in het water. Rijden op brommers met voeten die de grond niet raken. Ze zijn zich van geen camera bewust, want het is ‘Joost maar’.

Ik wilde niet meer weg uit de films van Joost. Vergat dat ik in een museum op houten tribunes zat. Werd heel erg blij.

Een jaar geleden, misschien langer, zijn vijf kinderen bij hun vader weggehaald omdat ze niet naar school gingen. Dit staat niet in de film maar ik kan het me nog goed herinneren. De kinderen liepen dag en nacht buiten rond, werden verwaarloosd en de vader zou weigeren Jeugdzorg te woord te staan. Er werd gezegd dat het nu heel erg goed met ze gaat in de verschillende pleeggezinnen.

Mijmeringen in een stad in april

donderdag 5 april 2007

Met de komst van april is levenzonderagenda ook begonnen. Dat bewust¬ niet afspreken¬ is nog best lastig.¬ Maar we gaan dapper verder.

Tussen alle wel of geen afspraken door¬ had een van de personeelsleden van¬ de kringloopwinkel, een groffe luidruchtige man, het over bier. ‘Ik moet wel bier hebben hoor’, schreeuwtzegt hij. ‘Biribiri!’

Ik stelde me ineens voor dat ik het was die dat zei, zo, op die manier. En dat dat dan ineens heel erg raar zou zijn. Terwijl ik ook best van een biertje houd op z’n tijd. En dat uiterlijk je bepaalde restricties oplegt. Maar dat dat ook beschaving kan heten. Of juist een keurslijf. Wie zal ’t zeggen.

Voor heel even even oud

dinsdag 3 april 2007

Een dag na mijn verjaardag wil ik toch iets bespiegelends kwijt. Ik ben nu zo oud als mijn moeder toen ik vijf was. En toen ik vijf was, was ik al best een echt iemand. Ik kon bewust denken en dingen onthouden. Want toen ik vijf was, zag ik in een grasveld een soort holletje, alsof een schep een gat had willen graven maar het bij een poging had gelaten. Ik dacht op dat moment: dit moet ik altijd onthouden. De reden van deze opdracht was niet omdat zo’n gat in een grasveld nou zo bijzonder was. De reden was puur en alleen het feit dat ik me op dat moment bewust was van het feit dat ik dingen kon onthouden.

En ik weet niet of ik het goed kan uitleggen, maar om die reden heb ik het idee dat ik nu een soort tijdslijn passeer. Alsof ik handen kan schudden met mijn 32-jarige moeder. Alsof er even twee mijmerlijnen zijn.

Hiep hiep hoera!

maandag 2 april 2007

Dit had een bespiegelende dag kunnen worden. Zo van ‘we zijn al een aardig eind op weg en zouden we niet eens nodig zaken moeten veranderen’. Maar zo gaat dat elk jaar en volgend jaar zou ik willen dat het nog maar dit jaar was dus waarom zou ik niet gewoon maar alles nemen zoals het komt en me erbij neerleggen. Niet dat ik een andere keuze heb.

Negentien vond ik ooit heel oud. Ik vond toen dat ik nog niet toe was aan negentien omdat ik dit en dat nog niet had gedaan. Dat dit en dat kon vanalles zijn. Ik werd toch negentien, ook daar viel niets aan te veranderen. En elk jaar was het van ‘zo oud alweer, het klopt niet, er moet nog dit en dat gebeuren’. Inmiddels bekend terrein zou je denken.

Dus ik heb vrijgenomen en neem het ervan in de zon en ik mag doen waar ik zin in heb. Van mezelf. Gewoon, omdat ik best aardig ben en dit en dat altijd nog kan, of niet, want hoe belangrijk is dit en nou helemaal.