Archief van januari 2007

Een goed gelukt ophalen

dinsdag 30 januari 2007

Het was bij de tramhalte. Een jongen stapte uit en werd opgehaald door een vriend. Écht opgehaald bedoel ik dan. Ze begroetten elkaar alsof ze elkaar lang niet gezien hadden. Handen beklopten ruggen, armen pakten onhandig schouders vast. Er werd niet gezoend, maar wel gelachen. De gearriveerde jongen droeg twee tassen; een reistas en een wat kleinere dagelijksedingentas. Ze liepen de trap op, weg van het perron. Op de eerste trede nam de ophaler de grote tas van de gearriveerde over.

Het was echt zo erg goed ophalen. Zo ging het vroeger, toen er nog met paarden en koetsen aangekomen werd. Zo gaat het nu, met trams en treinen. We spreken af elkaar om die tijd daar te zien. Niet bellen onderweg dat je vertraging hebt; het is altijd goed gegaan. En we staan er. En we stappen daadwerkelijk uit. En we zien elkaar op het afgesproken tijdstip. Schudden handen, bevoelen ledematen. Tonen blijdschap om weerzien.

Het klopt allemaal.

Sentimental journey (werktitel)

zondag 28 januari 2007

Ik ben weer eens terug in Vroeger. De inrichting is veranderd, maar de locatie is exact dezelfde. Ondanks de grote verbouwing (meer zalen, dus groter en professioneler, dus met de tijd meegegaan) zijn er plekken waar de sfeer van toen is blijven hangen. De tijd die voorbij is, is hier gebleven.

Natuurlijk klinkt het hallohoegaathtet watdoejetegenwoordig. In drie zinnen praten we ons leven bij, alsof een leven op slechts drie pijlers steunt; hoeishetmet werk? huis? relatie? Goed, goed en goed, en bij jou? De vragen en antwoorden geven niets bloot, geven geen informatie. De herinnering voert een eigen gesprek. Ineens heet verleden Vroeger. Zijn er jaren voorbij gegaan.

Maar het is erg gezellig in vroeger, ik kan niet anders zeggen. We lachen, we dansen, zelfs de muziek lijkt onveranderd. Wat dacht ik, toen ‘tien jaar later’ nog een onbekende en o zo verre toekomst betekende? Niet dit. Alles zou anders zijn en ik volwassen. Misschien dat ik zelfs dacht: echt iemand anders. Maar ik had nooit kunnen denken dat tien jaar, meer dan tien jaar, net zo goed een halfjaar kan zijn. En dat ik nog steeds ik ben. De ik drinkt te veel en laat de laatste trein voor wat ‘ie is: als tien jaar niets meer is, wat stelt 01:17 uur dan nog voor?

Hoe volwassen: ik heb een eigen huis. En een heel mooie groene hoekbank. De zon schijnt door de ramen en ik kijk naar mijn handen, in dit licht witter dan wit. Elk vlekje, elk haartje zie ik. Ik denk aan de handen van mijn moeder, aan de handen van mijn grootmoeder.

Gedoe

donderdag 25 januari 2007

Dat komt, ik vind het zo’n gedoe. Fruit eten. Een appel of banaan, daar draai ik m’n hand niet voor om. Een sinaasappel persen mag ik ook best graag doen, wat vreemd is aangezien daar ook enige attributen voor nodig zijn. Maar een sinaasappel schillen, dat vond ik altijd te ver gaan. Te kleverig, te sapperig, teveel geknoei met die witte frutsels die eromheen zitten en die er van mij toch echt helemaal afmoeten.

En nu dan toch. Ik zit al op vier stuks deze week. Ik weet niet wat voor gezonde geest er in mij is gevaren. Hij mag best blijven. Ik heb speciaal een (oranje!) mesje meegenomen van huis naar het werk, alwaar deze opzienbarende gebeurtenissen plaatsvinden.

Een keer eerder is een mes van het werk, een doodgewoon, bot broodsmeermes, in mijn tas beland. Gelijk na werktijd moest ik door en ik had dat mes onderweg in de auto nodig om iets te snijden, dacht ik. Uiteraard ging ik helemaal niets snijden. Als ik dat normaal al niet doe, waarom in een auto dan wel. Nog weer wat later is dat mes toen perongeluk mee op vakantie gegaan, de douane door, het vliegtuig in, Barcelona in. Pas bij het weer inpakken van mijn tas voor de terugreis kwam ik het mes tegen. Toen gebeurde er iets vreemds. Ik kon het mes niet achterlaten op het nachtkastje van het pension waar we verbleven en stopte het weer terug in mijn tas. Maar anders dan op de heenweg, was ik me nu heel erg bewust van mijn meegebrachte moordwapen. Ook toen ik bij de douane stond. Ik wilde eerlijk zijn. Ik zei: ‘ik heb een mes’. En liet het bottere dan bot broodsmeermes zien. De douane keek niet blij. Er werd iemand bijgeroepen. Met een wit doekje, als ware het een heus pistool van een heuse misdadiger, werd het mes in een bakje gestopt. Ter vernietiging. Mij lieten ze desondanks doorgaan. Hoe dom ben je, moeten ze gedacht hebben. Bij tijd en wijle heel dom dus.

Hoevaak verplaatsen jullie een mes van a (msterdam, bijv.) naar b (arcelona, bijv.)? En hoe voelt dat?

Gewone dingen die ik nooit gedaan had #1

woensdag 24 januari 2007

Van: nog nooit gedaan.
Naar: deze week al drie keer gedaan.

Zelf een sinaasappel schillen om deze vervolgens met de hand op te eten.

Geloven jullie dat?

maandag 22 januari 2007

‘Geloven jullie dat?’, vroeg hij steeds na eerst een interessant feitje verteld te hebben. Als je je eigen rondleider al niet eens meer kan geloven, wie dan wel. Maar we deden braaf mee, zeiden af en toe ja en af en toe nee, als het al te gek werd. Hij genoot. Vond het heerlijk om eens niet achter de schermen te hoeven werken maar een groep rond te leiden om te vertellen wat voor werk hij daar verricht. Daar waar het onbereikbaar is voor gewone stervelingen als wij. Maar nu opende eindelijk de ‘verboden voor onbevoegden-deur’ ook voor ons.

We zagen vogels die door de olie waren gevangen, zeehonden die in netten verstrikt waren geraakt, en jonge zeehondjes die hun moeder kwijt waren. De term ‘huiler’ hoefde hij niemand meer uit te leggen gewend als we waren aan storm en aangespoelde huilende zeepuppy’s.

Hij was in zijn nopjes. Na ons kwam er weer een groep, en daarna weer een, en daarna weer. Zijn dag was gelukkig nog niet ten einde. ‘Hebben jullie nog vragen?’ vroeg hij, en stuurde ons ruw weer naar buiten toen het stil bleef. Buiten was het koud. We liepen in rap tempo langs de zeehondenbassins. De grijze zeehond keek ons met z’n hondachtige kop aan. Het was te koud om een gesprek aan te gaan.

Gejaagd door de hagel liepen we de weg terug naar het dorp. Gelukkig hield een auto halt voor onze opgestoken duimen en bood ons beschutting en een lift. Helaas bleek halverwege dat de bestuurder andere plannen met ons had want hij ontpopte zich tot seriemoordenaar. We redden ons leven door ons uit de rijdende auto te laten vallen, midden in een volgelopen greppel. Maar nat waren we toch al, en het dorp was nu al erg dichtbij.

Geloven jullie dat?

Gebroken glas

vrijdag 19 januari 2007

Ok, misschien is het glas overstroomd. Of gebroken. Of was het een pint en geen borrelglaasje, wie zal het zeggen. In elk geval, gisterochtend bij schrijven zat de storm er nog lekker in, zoveel is zeker. We mochten eerder naar huis van het werk, we voelden ons kinderen met ijsvrij. We lachten naar elkaar op straat als we langs elkaar heen waaiden; ‘leuk he!’. Ik waaide de tram in. Ook al was het druk, niemand leek geirriteerd zoals normaal het geval zou zijn geweest. ‘Wilt u zitten? Ik moet er toch zo uit’ (nee, niet tegen mij). Eindelijk zag ik mijn huis weer eens met daglicht. Ik deed geen tv, geen radio aan, het was heerlijk rustig. ‘S avonds ging ik eten bij een vriendin.

Toen belde de moeder. Waar ben je. Ga niet weg, blijf thuis, en ik meen het. Kijk maar naar de televisie. Ik sprak wat geruststellende woorden, ging rustig door met wat ik aan het doen was, en deed daarna toch maar een keer de tv aan. En daar stormde het overal. Ik kon geen net zonder stormachtig verslag meer vinden. Ik zag een man de gracht in waaien, bomen op auto’s vallen, mensen zich vastgrijpen aan lantaarnpalen. En vooral veel wapperende haren. Het zag er heel spannend uit. Ook van de tv moest ik thuisblijven. Nog twijfelde ik. Was minder vastberaden de storm aan me voorbij te laten gaan. Ineens wilde ik meedoen. Ook zeggen ‘ik kom niet want ik moet binnenblijven van de storm’. Ik wilde er bijhoren.

Maar eenmaal thuisgebleven was er niks aan; wel de storm op tv zien maar er geheel en al buiten staan. Alleen de mensen in de opvangcentra die gestrand waren, dat was wel leuk om vanuit de huiskamer te zien. Ik had ook van a naar b willen gaan. Had ook buiten angstig naar boven willen kijken om vallende bomen te ontwijken. Had ook willen lachen naar mijn medewaaiers zo van huuuu wat eng!

Om elf uur besloot ik toch even te gaan waaien. Maar toen was er alleen nog maar gewoon harde wind.

Storm in een glas water

donderdag 18 januari 2007

’t Ligt zo voor de hand om over regen en wind te schrijven als volgens het nieuws op radio en tv storm Nederland ‘in zijn greep houdt’. Haha, echt niet! Iedereen zit hier gewoon en heeft de tram of zelfs de fiets genomen. Ik nam de tram voor de verandering en moest in mezelf wat lachen toen we langs de Eerste Leeghwaterstraat reden. Want de eerste straat zonder water moesten we nog tegenkomen.

Tot zover mijn bijdrage aan berichtgeving over ‘Nederland maakt zich klaar voor de storm’, ‘Regenoverlast in aanloop naar storm’, of ‘Lange file door waterballet’.

En de NOS maar achter een ‘storm-item’ aan door zich naar het strand in Zandvoort te begeven waar de wind in de microfoon stukken harder klinkt dan normaal. ‘Welke windkracht is dit nou? ‘Windkracht 9, bijna 10 is het wel!’. Eenmaal binnen in het strandpaviljoen merkte je niks meer van de storm. Dat was een tegenvaller.

In eerste instantie wilden de verslaggevers naar bouwterreinen om daar spannende reportages te maken over zwierende bouwkranen, in de hoop op eventuele ongelukken. ‘Is dat niet gevaarlijk, zo’n hoge bouwkraan met die storm, hoe gaan jullie daarmee om?’ Maar: ‘Bij windkracht 7 werken we al niet meer met kranen, veel te gevaarlijk’. ‘Dus dit is eigenlijk helemaal geen item?’ ‘Nee.’

Opa Jopie

zondag 14 januari 2007

De man dirigeerde zijn familie de trein in. Ik zat in een krap vierzitje in de hal waar je eigenlijk niet eens met z’n vieren kon zitten. Hij ging met zijn rug naar mij toe staan en riep zijn familie. ‘Kom op, hier zijn vier zitplaatsen, pa, schiet op’. De familie schuifelde dichterbij. Tegenover mij nam pa en wat waarschijnlijk zijn schoondochter was plaats. Het zoontje ging in z’n eentje aan de andere kant van het gangetje zitten. Vader zelf kwam naast mij zitten.

‘Geef die kauwgum maar terug, pa, dat lusten kinderen helemaal niet, dat is veel te sterk voor ze’. De opa nam de kauwgum gehoorzaam terug. Toen bood hij mij het kauwgumpje aan. ‘Tja, als ik het toch niet aan kinderen mag geven’. ‘Gelukkig ben ik al volwassen’, zei ik en nam het kauwgumpje aan.

Om een gezellig gesprek met zijn vader te beginnen zei de man ‘dat wordt nog wat voor je, pa, als straks alles verandert met de spoorwegen. Dan heb je een soort creditcard nodig, net als nu in Londen in de ondergrondse, de subway’, vertaalde hij wijs. ‘Nee, daar snap ik vast niets van’, gaf opa toe. ‘Ik kan trouwens ook niet meer met een telefoonkaart betalen in de telefooncel op het station, kijk’, hij wilde de kaart uit zijn zak halen. ‘Nee laat maar pa, dat hoef je niet te laten zien, ik snap het heus wel’. Opa probeerde zijn verhaal af te maken. ‘Met een kreeditkaart lukte het ook niet’. ‘Creditcard’, zei de vader. Hij boog zich naar zijn snoep etende zoontje: ‘wil je die smakfabriek even uitzetten’.

Opa keek naar buiten, maar omdat het donker was, zag hij alleen mijn weerspiegeling in het raam. ‘Annet was er trouwens ook niet’. ‘Annet en Erwin’, vulde de vader aan. ‘Nee, Annet’. ‘Ja, jij zou het wel prima vinden als de partners van de vrouwen nooit meekomen he!’ Opa grinnikte.

‘Jules’, sprak de vader nu zijn zoontje aan, wil jij straks wel bij Opa Jopie logeren?’ Hij lachte, want dit was zomaar een spontaan grapje van hem, het zoontje ging immers gewoon met hem mee naar huis. ‘Nee’, zei Jules, ‘ik heb geen pyjama mee’. ‘Opa Jopie heeft vast wel een pyjama voor je te leen. Een nachthemd’, verbeterde hij zichzelf. ‘Wil je dan wel?’ Hij grinnikte zachtjes voor zich uit want hij wist het antwoord al. ‘Nee’. ‘Waarom niet, vind je het niet leuk bij Opa Jopie?’ ‘Nee, saai’ zei Jules. Opa Jopie zei niets.

‘Wordt hij nooit moe?’ vroeg Opa Jopie aan de vrouw naast hem die zich tot nu toe alleen met het jongetje bemoeid had. ‘Neehoor’, zei de vrouw trots. ‘Dit jaar met oud en nieuw is hij de hele nacht opgebleven. Om twee uur zei hij “ik ga even op de bank liggen hoor, maar ik ga niet slapen”‘. Ze sprak vol lof. ‘En vorig jaar is hij zelfs tot drie uur opgebleven.’

We kwamen bijna in Amsterdam aan waar de man zijn familie mee de stadsjungle in moest nemen om de overstap naar de trein naar Utrecht te wagen. ‘In Amsterdam goed bij elkaar blijven’, sprak hij zijn familieleden streng toe. ‘We mogen elkaar niet kwijtraken. Pa, zet jij je mobieltje even aan.’ Opa Jopie weigerde. ‘Neehoor, we blijven heus wel bij elkaar’.

Ik haalde mijn fietslichtjes tevoorschijn en klikte ze vast aan mijn tas. ‘Ga je fietsen?’ vroeg Opa Jopie verheugd. ‘Dat vind ik nou zo mooi hè.’

Diep onder de grond

donderdag 11 januari 2007

Een doodshoofd met wat botten eronder en de tekst: De dood. Dat moet je meemaken. Verder niks. Op posters zie ik het overal in de stad hangen. We zullen vast even moeten afwachten totdat de reclamemaker zich bekendmaakt. Maar afgezien daarvan: ik maak het mee. Elke dag. Ik ben er verslaafd aan en niet van plan er iets aan te doen. Ik wentel me erin. Op een gegeven moment houdt de verslaving noodgedwongen weer op, want dan is het over, klaar. Dan moet ik weer wachten op nieuwe creatieve ingevingen van de makers.

De levens van David (‘Dave’, voor intimi), Nate en Brenda, de roodharige Claire, en natuurlijk hun moeder die wanhopig probeert haar gezin bij elkaar te houden, zijn belangrijker geworden dan mijn eigen leven. Ik droom over ze. Ik zou dolgraag eens aan hun keukentafel willen zitten. Ik kijk geen tv-programma’s meer, de gids blijft dicht, lees alleen in bed nog boeken. Enkel en alleen vanwege die dvd-boxen. Die moeten op. Hongerig stop ik er steeds een nieuwe dvd in. Gelukkig hoef ik geen week te wachten om te weten hoe Six Feet Under verdergaat.

Elke aflevering begint met een dode. Want dood betekent hier brood. Een begrafenisonderneming leeft van dood. Er zijn heel veel verschillende manieren om dood te gaan. Maar uiteindelijk is dood gewoon heel erg dood. In Six Feet Under maakt de dood deel uit van het dagelijks leven. Staan doden op uit hun kisten om advies te geven. Zijn doden het geweten van de hoofdpersonen. En waarom niet? Als je dood bent heb je het recht om te zeggen ‘zo had ik het niet moeten doen. Doe jij het dus anders, nu het nog kan.’

Het lukt nooit om grip op de dood te krijgen. Aflevering na aflevering wordt een nieuwe, verse dode de grond ingestopt. Het is een fabriek. De linkerhand trekt baby’s uit buiken. De rechterhand legt doden in kisten. Soms met, maar vaak ook zonder tranen.

Ik heb nog één serie te gaan. Mijn sterfelijkheid gebiedt me haast te maken.

Nietig gesprekje

dinsdag 9 januari 2007

‘Ik kan niet nieten terwijl er wel nietjes inzitten.’
‘Doet ie het niet?’
‘Nee. Ik snap het niet.’