Archief van november 2006

Moge ik een Beter Mens worden

donderdag 30 november 2006

Ik wil een beter mens worden. Dat is mijn wens van vandaag. Het gaat om De Verongelijkte, het Manusje van Alles. Ik wil mijn oren sluiten voor zijn preken, zijn klaagzangen. Dat moet toch lukken? Hij was zo blij, in al z’n verongelijktheid. Hij bromt, hij moppert, maar als je goed luistert bromt hij soms iets dat best aardig is. Staat hij ineens met vier taarten in de kamer, brommend dat hij een eindelijk een huis toegewezen gekregen heeft na vijfentwintig jaar, en ‘dat moet toch gevierd worden’. Hoe hij daar staat. Achter de tafel waar hij de vier taarten heeft uitgestald, alvast¬ in stukken gesneden. Trots dat hij ons kan voorzien van zoiets lekkers, zomaar. Nee niet zomaar, hij heeft een huis. ‘Lekker!’, zeggen wij. En hij straalt.

Hij had een nieuwe bril. En ik zag het niet. Ik kijk niet iedereen even goed aan. Wie het wel zag, was zijn¬ baas die hem ermee¬ complimenteerde. Hij glom. ‘Ik ben helem√°√°l in het nieuw gestoken’, en wees op iets anders dat ook nieuw was, iets dat ik nu alweer vergeten ben maar waarvan ik wilde dat ik het onthouden had. Ik was blij met zijn baas die hem in al zijn menselijkheid zag en niet alleen als de klager, de brompot, de mopperaar.

Ik moet het¬ erop wagen. Mijn hoofd af en toe¬ om de deur¬ steken en¬ vragen. Niet gelijk naar alles, maar om te beginnen eens iets over de naderende¬ verhuizing, naar het huis waar hij vijfentwintig jaar op gewacht heeft. De klaagzangen probeer ik niet te horen. En ik ga onthouden. Ik ga opletten.¬ Ik wil dat mensen glimmen.

Levende klokken

dinsdag 28 november 2006

Ik zie hem niet dagelijks maar wel regelmatig. Zo’n vast onderdeel, een herkenningspunt op¬ weg van huis naar werk, elke ochtend weer. Ik mag niet klagen over een saaie route want naast mij worden huizen afgebroken en weer opgebouwd. Alles om mij maar ter wille te zijn: kijk, de wereld staat niet stil.

Nee, dan hij. Zomer en winter draagt hij een pak. Licht van kleur. Soms beige, soms gestreept. In de zomer heeft hij blote voeten in zijn nette schoenen. In de winter draagt hij geen overjas. Hij is erg jong, dat maakt dat pak des te opmerkelijker. Hij¬ loopt¬ er trots mee over straat¬ en maakt¬ zijn korte gestalte langer. Hoofd geheven.¬ Steeds dat pak. Hij herkent mij ook.¬ Kijkt me even aan als ik langsfiets. In de zomer in¬ rokjes en¬ slippers, in de winter met laarzen en dikke jas. Ik trek me wel degelijk iets aan van het weer. We groeten niet.

Ik kom hem tegen net voor, net onder, of net na de spoorwegbrug. Soms denk ik dat ik aan de late kant ben als hij de onderdoorgang al gepasseerd is. Het zou kunnen dat hij hetzelfde¬ denkt als we elkaar na de spoorweg treffen. Zo¬ worden we levende klokken¬ maar tegelijk staat de tijd¬ even stil.

Pluim voor Savon

zondag 26 november 2006

Ik had een ‘Pluim’ gekregen. De pluim was een cadeaubon, ofzoiets. Helemaal snapte ik het niet, want bij bepaalde winkels kreeg je korting en bij andere een heus cadeau. Ik ging natuurlijk voor geheel gratis. En zo belandde ik in…Savon.

Savon was een winkel met zeep en zeepachtigen. Even snel naar binnen, iets uitzoeken, en wegwezen. Zo dacht ik dat. Wist ik veel, ik kende die winkel toch niet? Het was een smalle winkel, een soort pijpenla, maar dan gehuld in de meest uiteenlopende zeepgeuren in plaats van tabakslucht. ‘Kan ik deze bon hier gebruiken?’, vroeg ik voor de zekerheid, want een bon die een Pluim heet vind ik maar verdacht. ‘Ha, je hebt ook een Pluim!’, zei het meisje blij. ‘Er komen de laatste tijd heel veel mensen met een Pluim omdat het einde van het jaar eraan komt. Zo van “nog even de Pluim opmaken”‘. In tegenstelling tot mijzelf vond zij de Pluim dus niet raar. ‘Heb je even tijd? Achterin de winkel staat een toonbank en daar kan je √°lle produkten uit de winkel uitproberen!’ zei ze weer blij, met uitroepteken.

Aarzelend liep ik de winkel verder in. Achterin de zaak stonden meerdere wastafels geplaatst in een cirkel. Daartussenin stonden, inderdaad, alle produkten uitgestald. Als het daar bij was gebleven had ik het goed gevonden. Maar plotseling werd ik weer aangesproken door een meisje, deze keer door een Engelstalige. Of ik deze eye-creme ook even wilde uitproberen? Ze was voortvarend, dit Engelse meisje, en voor ik het wist smeerde ik de creme vanaf een spatel onder mijn ogen. Het was inderdaad zeer moisterizing zoals ze voorspeld had. Het meisje wendde zich nu geheel tot mij, haar andere proefkonijn was afgedropen. Ze legde uit hoe goed de creme tegen wallen hielp. Het was trouwens Oprah Winfrey’s favorite product.

‘Do you like to try some more products?’ Ik vond het lastig om ‘nee’ te zeggen omdat ik de Pluim toch voor een produkt omgewisseld wilde zien, nu ik zover gekomen was. En daar ging ze. De bodylotion volgde de bodyperfume op die de bodyscrub opvolgde, dit alles in rap tempo. ‘This is my favorite’, deelde ze me vertrouwelijk mee bij weer een nieuw produkt. Ik voelde me ietwat bezwaard het te vragen, maar al wat ik wou weten was: hoe duur is dit? Zo’n pluim heeft immers wel een limiet, en nergens zag ik prijzen. Ik schrok nogal van de antwoorden en ik koos snel een bodycreme uit waarvoor ik maar heel weinig hoefde bij te betalen. De wasbak moest door andere klanten worden gebruikt en ik werd aan de kant geschoven. ‘Do you mind’. Zei het meisje. Niet vroeg. Verderop zag ik een jongen met een groen masker op zijn gezicht.

‘Is het een cadeautje?’, vroeg het kassameisje. ‘Neehoor’, zei ik. ‘Maar als het voor jezelf is, is het toch eigenlijk ook een cadeautje? Ja toch? Ik doe er wel een leuk papiertje om. Vroeger ging ik altijd naar de Douglas en als ze dan vroegen “is het een cadeautje” zei ik altijd ja want het is toch heel erg leuk om een cadeautje uit te pakken?’

Ik nam het cadeautje aan, liet de Pluim achter en moest 1 euro 75 bijbetalen. Het leek of het leven uit mij weggesijpeld was. Maar daar bestond vast wel een zeepje voor.

De wereld als schouwtoneel

vrijdag 24 november 2006

Eindelijk weet ik hoe de wereld in elkaar steekt: zij is een theaterstuk, een schouwtoneel. En wij zijn allen figurant. Ook weet ik eindelijk wat de advertenties in de krant betekenen die mij tot voor kort een raadsel waren: Gestolen Rembrandt terug? Bel dan…

Het is allemaal een spel. En ik doe graag mee.

Hoe Enkele Raadselen Werden Opgelost

Het woord ‘personeelsuitje’ bevat niet veel goeds. Het herbergt de betekenis van een geforceerd samenzijn. Op een ludieke manier je collega’s leren kennen. Willen we dat dan? Laat ons maar lekker collega’s blijven, elk zijn eigen bureau, zijn eigen kamer; een collega heet niet voor niets ‘collega’ en geen ‘vriend’. Dat ik op de dag van het personeelsuitje, meer regen bij elkaar had ik in tijden niet gezien, zat te springen van plezier kan ik dus niet zeggen. Maar toch.

Het was een aandoenlijk toneelstukje, niveau Sinterklaas en Zwarte Piet. Het ons beloofde schilderij van Rembrandt, dat we in bruikleen zouden krijgen, bleek gestolen…

In groepen liepen we door de stad, op zoek naar de Gestolen Rembrandt. Met opdrachten konden we ‘losgeld’ verdienen en moesten we achter de plek komen waar de overdracht moest plaatsvinden. Ondertussen werden we gevolgd. Door wie wisten we niet, maar onze afperser belde regelmatig op waaruit zijn onzichtbare aanwezigheid bleek. Met andere ogen bekeken we de stad. Half toerist, half detective. Hij daar, met die aktetas die zo opvallend zat te bellen, was hij onze crimineel? Of die jongen met die rugzak, die wel heel nadrukkelijk niet naar ons keek? Iedereen kon in het complot betrokken zijn.

Nog nooit had ik de stad zo bekeken. Niet alleen kreeg ik wat toeristische kennis over Amsterdam tot mij die ik als bewoner niet eens had, ik had ook nog nimmer zo goed om mij heen gekeken naar mijn medemens. En iedereen leek van het spel af te weten. Want hoe kon het anders dat bij de opdracht koop een daklozenkrant een daklozenkrantverkoper in ijl tempo op ons groepje kwam afgerend met “Nog √©√©n krant! Het laatste krantje!” Wij waren de enigen niet die een diefstal probeerden op te lossen. Ineens vielen er ook andere dingen op hun plek. Die groepjes die ik wel eens op de Dam zag, het Wilhelmus zingend. Niks geen bachelorparty, niks geen provincialen die blij zijn eens de hoofdstad te zien. Gewoon een personeelsuitje, aanbeland bij de opdracht Zing het Wilhelmus staande voor een van de leeuwen.

Ook de tweedehandsboekverkopers in de Oudemanhuispoort hebben iets van hun romantische glans verloren. Niet van de zonderlinge professor die elke dag even tussen de boeken komt snuffelen; niet van de student die een niet-meer-leverbaar boek zoekt, leven zij. Nee, zij leven van de opdracht Zoek een zo oud mogelijk boek. Voor elke 50 jaar ontvang je 50.000 euro losgeld.

De draaiorgelman dan, is die dan wel echt? Leeft hij echt van die paar rammelende centen in zijn koperen bakje? Welnee. Hij leeft van de opdracht maak een foto van een van jullie die aan het orgelwiel draait. En gooi gelijk wat euro’s in zijn bakje, want we hebben geld voor onderweg meegekregen.

De daklozenkrantverkopers, de boekverkopers, de orgelmannen; ze spannen allemaal samen. Wij, de argeloze collega’s, zo bruut onze veilige kantoorhavens uitgelokt, worden gebruikt om de stad draaiende te houden, te laten zijn wat zij is voor toeristen. Gooi het gordijn maar open, dit is Amsterdam. Oud, tolerant, en o zo authentiek.

De oudere broer

woensdag 22 november 2006

Hij is stokoud geworden. We noemden hem altijd ons zwarte harige broertje, omdat we een groot gebrek aan een broer hadden. Toen hebben we hém maar tot broer gedoopt. Als broer gedroeg hij zich misschien wat anders dan een broer van vlees en bloed gedaan zou hebben. Toch voelde het goed, nu waren we twee zussen en een broer.

Gister zag ik hem weer. Zijn zwarte haren kleefden aan elkaar, hij waste zich niet meer,¬ bewoog zich als een hoogbejaarde man door het huis. Deed er bijna uren over om van de bank naar de keuken te lopen, of eerder te schuifelen, te kruipen. Ik behandelde hem anders dan vroeger, maakte geen grappen meer maar bezag de ouderdom met eerbied.

Ooit noemden¬ we hem ‘Chica’.¬ Het Spaanse¬ woord voor kleintje, de vrouwelijke vorm. Hij werd een mannetje en mat zich¬ bovenmaatse proporties aan. Zo maakte hij ons duidelijk¬ dat hij zich niet liet vormen door naamgeving of wat dan ook. De zussen verlieten het huis om op zichzelf te gaan wonen. Het broertje¬ kon de dagelijkse toevoer van eten en drinken nog wel waarderen en bleef.

Het broertje werd in rap tempo een broer, een oudere, een veel oudere broer. Overtrof ons minder in volwassenheid dan in ouderdom. Werd een knorrige oude man.

Ik aai zijn tot dreads verworden vacht, stoffig, dof. Hij spint en is tevreden.

Niemand op heel Vlieland

zondag 19 november 2006

We lopen een restaurant binnen dat er vanbuiten uitziet alsof het ons met alle liefde wil ontvangen. De helft van de ruimte bestaat namelijk uit lege tafeltjes. Voor de vorm blijven we even staan wachten voor we aan een van de tafels plaatsnemen.

‘Hebben jullie gereserveerd?’, vraagt het meisje dat op ons afstapt. Dit is een onverwachte opmerking in deze situatie. We kijken elkaar aan en kunnen ons lachen niet inhouden. Het meisje weet niet wat ze met onze verbaasde blikken en ontkennende antwoord aan moet en wijst ons ietwat onwillig naar een van de tafeltjes.

‚ÄėAls het wel vol was geweest waren we gewoon ergens anders heen gegaan‚Äô, voeg ik aan het ‘nee’ toe. Een restaurant reserveren als je een weekend weg bent: als het in een woord zou passen, was het een contradictio in terminus. ‚ÄėHet is verstandig om op heel Vlieland te reserveren‚Äô, kaatst ze de bal terug.

We durven niets meer te zeggen en denken aan de uitgestrekte eenzaamheid van het strand eerder op de dag.

Het beste recept voor bananenbrood

donderdag 16 november 2006

Ze is gek op bananenbrood. ‘I’m in the baking mood’, zegt ze dan, en ze belt een vriendin voor het beste recept voor bananabread. De hond van haar ouders is pas geleden overleden, daarom maakt ze een extra bananabread voor hen. Al eerder heeft ze een sympathy card gestuurd om haar medeleven te betonen.

Haar favoriete tijd van het jaar is kerstmis. Daar leeft ze maanden naar uit. Lang vantevoren bedenkt ze wat ze voor haar familie gaat maken want ze is heel creatief. En voor kerstcadeautjes heeft ze nauwelijks geld. Voor haar moeder maakt ze een t’shirt met Tweety erop, in christmas theme uiteraard. Haar nicht krijgt een geborduurde Iejoor, √≥f een kussensloop met haar naam erop, dat weet ze nog niet zeker. Haar broer, die draken verzamelt, krijgt uiteraard een draak die ze uit klei boetseert. Oma krijgt een mandje met koffie en snoep erin. Wat ze voor haar vader moet maken, weet ze nog niet, want het is altijd zo moeilijk iets voor hem te bedenken. En oja, wat is mijn lievelingskleur ook alweer?

Omdat ze veel ziek is, heeft ze weinig vrienden, maar de puppies en kitties zijn haar beste gezelschap. Die zijn nooit mean tegen haar. De nurses zijn wel vaak mean, maar dat komt omdat ze zo dik is, denkt ze zelf. Vanwege haar slechte gezondheid werkt ze niet en komt ze weinig buitenshuis. Sporten of gewoon wandelen valt niet binnen haar bereik. Als ze een middagje met haar moeder naar de mall kan, heeft ze de dag van haar leven. Vaak bidt ze tot God dat ze haar prins op het witte paard tegenkomt.

Het duurde twee maanden voor ze me had teruggeschreven. Dat kwam, de postzegels waren op, dus ze moest wachten tot pay day.

Ik voel me wel eens schuldig dat ik alles heb wat zij niet heeft. Ik denk dat ik haar het recept voor bananabread ga vragen.

De macht van de pen

woensdag 15 november 2006

’t Kan raar lopen.¬ Ik was gisteren namelijk echt van plan een heel grappig stukje te schrijven over kantoorhumor,¬ maar dit kwam er¬ uit. Humor is niet te sturen, maar ik zelf blijkbaar wel. Of zou de kantoorduivel een aandeel in de zaak hebben gehad? Gelukkig¬ ligt de waarheid wat genuanceerder.

Vechten tegen de kantoorduivel

dinsdag 14 november 2006

Het kantoorgehalte ligt hier soms behoorlijk hoog. Het kantoor van The office, Debiteuren crediteuren, Space office, noem maar op wat er aan series en films over het kantoorleven is gemaakt. Dat dit een universiteit is, doet helemaal niets aan het feit af. Enkele deuren verderop durfde iemand nog dagelijks met ‘Goeiesmorregens’ binnen te komen. Zijn functie heeft hij heel humoristisch over zijn naambordje geplakt: Manusje van alles. Als hij Engels moet praten en de ander verstaat hem niet direct, dan gaat hij gewoon heel hard praten zodat deuren in de gang demonstratief gesloten worden. Maar na een interne verhuizing is hij treuriger geworden. Steeds minder vaak horen we het ‘goeiesmorregens’ en in plaats daarvan mompelt hij voor zich uit ‘we zijn verbannen’. Soms roept hij het hardop. Als ik even mijn hoofd om de deur steek, word ik slachtoffer van een tomeloze preek over alles wat niet deugt, en dat is veel.

Er zijn er meer zoals hij, maar zij uiten het iets minder opvallend. Ze verschuilen zich niet achter film- en televisieuitspraken maar zij mopperen rustig in de rondte. Op alles, op iedereen. Dat niemand naar ze luistert, dat niemand ze iets vertelt, dat er geen geld meer is voor gezellige dingen, maar ook niet voor noodzakelijke. Niemand lijkt blij. Als er iemand nieuw komt en zich vol enthousiasme op zijn taak stort, wordt heel even iedereen om hem heen wakker geschud. Dat enthousiasme, dat doet ergens aan denken. Aan heel lang geleden, aan een ander leven. Wat was dat ook alweer? Maar de herinnering doet pijn want doet beseffen wat er van van die dromen en plannen geworden is. De tijd verstrijkt en langzamerhand wordt aan het enthousiasme van de nieuweling geknaagd, gevreten, weg met die pijnlijke herinnering, totdat het heeft plaatsgemaakt voor desillusie. Nu kan nieuweling-af twee dingen doen: zijn ziel redden door zijn enthousiasme terug te zoeken op een andere plaats, of zijn ziel verkopen en net als de rest klager te worden.

We zoeken gelijkgestemde collega’s op om bovenstaand scenario te analyseren. Zo zijn we zelf onschendbaar, denken wij heel naief.

Doet u aan voodoo?

zondag 12 november 2006

‘Mevouw, doet u aan voodoo?’, vroeg een van de Marokkaanse jongens die net tegenover zus en mij waren komen zitten in de metro. Deze vraag was minder vreemd dan het leek, want aan de tas van zus hing een mummie-achtig poppetje van touw. ‘Nee, dat vind ik een beetje zielig’, zei zus. ‘Maar das toch wel grappig, dat je dat poppetje een duw geeft en dat er iemand die in de stad loopt dan zomaar omvalt?’ Dat vonden wij zelf eigenlijk ook heel erg grappig. De jongen, een jaar of vijftien, werd afgeleid door een grote groep wat oudere mensen die met z’n allen verderop in de metro een juichend geluid voortbrachten. ‘Dat is toch uit man’, zei hij. ‘Een beetje met z’n allen lawaai maken, dat moet ieder voor zich doen’. Een vrouw van de groep stapte uit, de deur ging dicht en de groep zwaaide enthousiast naar haar. De vrouw bleef nog even staan en zwaaide terug. ‘Kijk ze nou ’s blij zijn met z’n allen. Ze gaan lekker met elkaar naar een feestje en zij mag niet mee, kijk ze lachen. Gemeen hoor.’

Toen verschoof z’n aandacht weer terug naar het voodoopoppetje. ‘Maar je ex dan, dat is toch wel grappig? Die haat je natuurlijk.’ Zus moest toegeven dat ze nog goede vrienden was met ex en dat ze om die reden liever geen voodoopraktijken op hem uit wilde oefenen. Daar snapte hij niets van. ‘Hoezo vrienden, wat is dat voor bullshit? Je smst ‘m gewoon en zegt “hee man, we passen toch niet zo bij elkaar, maar we kunnen vrienden zijn, zullen we morgen wat leuks gaan doen?” Dat is toch belachelijk? Met je ex heb je toch, hoe zeg je dat, “dingen” gedaan? Dan wil je diegene toch nooit meer spreken?’

Met zijn vijftien jaar zat in het woord ‘ex’ waarschijnlijk een iets kortere geschiedenis dan in het onze. ‘Ik zag laatst een vriendin van m’n ex en weet je wat die hoer zei?’ ‘Hoezo noem je haar een hoer? Let een beetje op je woorden’, bemoeide zijn vriend die zich wat meer op de achtergrond hield er nu mee. De metro stond stil op een halte en op het perron zagen ze een meisje dat ze kenden. Ze probeerden haar aandacht te trekken door op het raam te kloppen en gebaren te maken. Het meisje deed of ze niks zag. ‘Haha ze herkent je niet eens man!’, zei de mondigste van de twee.

We kwamen helaas aan bij onze halte. ‘Zijn we al bijna bij het centraal station?’ vroegen ze. We kregen het ernstige vermoeden dat ze in de verkeerde metro gestapt waren want de metro was hard op weg de tegenovergestelde richting op te rijden. Maar een paar nieuwe inzichten rijker betreurden we dit allerminst.