Archief van oktober 2006

Oud nieuws (angst #2)

maandag 30 oktober 2006

‘Ben je bang om oud te worden?’, vroeg hij. Hij had het fotoboekje van Audrey Hepburn vast, waar ooit een opdracht speciaal voor mij in was geschreven. Niet door Audrey zelf natuurlijk, maar door de goede gever. De gever hoopte dat ik Audrey-oud zou worden. Oftewel, mooi oud, jong oud. Ik moest even nadenken over het antwoord. Bang was niet het goede woord. Tot nu toe was ik er aardig in geslaagd zonder al te veel veranderingen ouder te worden. Het vergde een ietsje meer discipline dan een jaar of tien geleden, maar al met al ging me dat aardig af. ‘Nee, eigenlijk niet’, zei ik dus maar.

Toch twijfel ik aan dit antwoord. Ergens klopt het niet. Want die mijzelf opgelegde discipline komt wel degelijk voort uit angst. Angst voor uitgelubberde lichamen, voor grijze haren teveel-om-uit-te-trekken, voor genegeerd worden op straat, voor niet gezien worden. Voor niet meer meetellen. Om heel eerlijk te zijn, ik ben best wel erg bang om ouder te worden.

Gelukkig is er meer dan alleen het lichaam om oud te worden. Waar ik niet voor hoef te vrezen, waar ik zelfs dankbaarheid voor mag tonen. Wat niet stijf van ouderdom wordt, maar juist soepel door gebruik. Want laat mijn geest maar groeien. Maak ‘m ouder, maak ‘m rijper, maak ‘m wijs. Laat ‘m weloverwogen en goed te beargumenteren meningen vormen. Maar laat ‘m niet volwassen worden. Er is zo veel meer dan dat.

Angst als clown onder het bed

zondag 29 oktober 2006

In het kader van de o zo oud-Hollandsche Halloween-traditie, zond de televisie enge films uit. Ik vond het tijd om korte metten te maken met oude angsten, om kinderangsten de deur te wijzen en besloot Poltergeist te gaan kijken. Poltergeist heeft destijds voor heel wat slapeloze uurtjes gezorgd na het in groepsverband kijken tijdens een feestje (in mijn herinnering meer dan eens).

Nu was het zoveel jaar later. De tijd was veranderd, en dat was gelijk een van de eerste dingen die opviel. De scène dat de vader aan de moeder vraagt terwijl ze in bed liggen ‘draai jij even een sjekkie voor me?’ zou je vandaag de dag niet zo snel meer tegenkomen. Een andere, zeer confronterende, verandering was dat de moeder van mijn leeftijd was (hierbij dien ik op te merken, de moeder was erg jong!). Met andere woorden, ik mocht me niet langer identificeren met de kinderen van acht en tien jaar, maar ik moest het met hun ouders doen. Dat was even slikken.
Verder was de hele entourage – het uiterlijk van de kinderen en de ouders, van het interieur, de mega-grote brillen van de spokenjagers – zó jaren tachtig dat het lachwekkend werd. Dat had ik niet verwacht. Ook de echt eng bedoelde dingen (grote brillen zijn op een andere manier eng) zoals de poltergeist zelf waren lang niet zo eng als in mijn herinnering. Alleen de clownspop die grijnzend op een stoeltje in de slaapkamer zat, dat bleef vervelend om te zien; maar clowns zijn sowieso niet prettig.

Na de hele film zonder kussen voor mijn ogen te hebben uitgezeten, moest ik concluderen dat de Poltergeistangst voorbij was, zoveel jaar na dato. De tijd had de angst ingehaald. Gelukkig heeft de tijd me weer andere angsten teruggegeven. Ze zijn alleen van gedaante veranderd. Niet meer zo snel te herkennen. Ze zien er niet langer uit als een clown onder het bed. De volwassen angsten nemen de vorm aan van allesbeslissende keuzes. Van geen weg meer terug.

Over mij, merlijn

zaterdag 28 oktober 2006

De pagina over mij, merlijn zag er tot nog toe wat karig uit. Voor diegenen die graag meer willen weten over mij, merlijn, wellicht dat u voortaan met andere ogen leest.

Niemandsland

vrijdag 27 oktober 2006

Een koffiehuis. Geen café, geen lunchroom, gewoon een koffiehuis. De muren waren ouderwets lichtgroen geverfd, er lagen stekelige kastanjebollen en tamme kastanjes in de vensterbank, er was een leestafel met fotoboeken van het gebied voordat de bebouwing begon, voordat de buurt met de blonde kindertjes er was. Het was er fijn.

Aan een tafel zat een vader met zijn twee zoontjes. Het was een koffiehuis waar ze limonade met een rietje voor de kinderen hadden. Of gewoon een bruine boterham met kaas. De vader dronk een herfstbok. Aan een andere tafel zaten een wat oudere man en een vrouw, niet hip, niet yup, ze zaten daar gewoon. Te lachen. Een van de jongetjes stond tegen de leestafel geleund verlegen maar zeer geïntrigeerd naar ze te kijken; hardop lachende oudere mensen, waar zie je dat nog.

Om de paar minuten kwamen er jongens en meisjes met grote muziekinstrumenten binnen. Veel cello’s, soms een viool of ze kwamen met een kist waarvan het instrument niet zo snel te duiden was. Ze verdwenen naar achter. Daar was een ruimte die afgesloten was door een schuifwand. Er zat glas in zodat je naar binnen kon kijken. Ze oefenden, het was geen publiek optreden. Heel bescheiden, heel beschaafd klonken de strijktonen naast elkaar, soms doorelkaar, maar steeds uitermate vriendelijk.

De zon scheen. Langs het raam liepen de hippe moeders met de blonde kindertjes voorbij.

Fietslicht in de duisternis

donderdag 26 oktober 2006

Ik was afwezig. Dat was een bewuste gedachte die mijn hoofd binnenzeilde. Ik fietste naar huis en er was geen wereld meer om me heen. Er zou eens iets onverwachts moeten gebeuren, dacht ik. Zou ik dat dan merken? Alles leek zo samen te vallen dat er niets meer was. Het was al aan het donkeren.

Toen ging ik nog even de supermarkt in. Kwam er weer uit. Zag dat mijn fietslampje weg was die ik vergeten was eraf te halen. Zag ‘m vervolgens op een van de fietsen van een groepje kinderen. De afwezigheid was in een klap over. Maar hoe te handelen? ‘Volgens mij is dat mijn lampje, net zat ie namelijk nog op mijn fiets’ en ik wees naar het nu lege klemmetje op het stuur. Toen begon de onhandigheid kinderen eigen, verschillende aanpakken naast elkaar, van beter een goede leugen dan vele slechte naast elkaar hadden ze nog nooit gehoord. ‘Neehoor die heb ik zelf gekocht’. ‘Dit is niet mijn fiets die is van een ander jongetje’ (en ook niet jouw lampje k*tkind!).

Ik liet duidelijk merken dat ik het kind niet geloofde, maar tegelijkertijd vond ik het wat te ver gaan om het lampje van zijn (onee, van een ander jongetje) fiets te rukken. Ik had immers geen bewijs en ik was me ervan bewust dat ik in een rechtsstaat leefde waar men altijd ‘bewijs’ wil hebben. Zomaar jongetjes beschuldigen van het stelen van een fietslampje, hoezeer alles ook in die richting wijst, kan nou eenmaal niet. Ik probeerde de moederlijke aanpak, het aanspreken op gevoel. ‘Nu moet ik weer een nieuw lampje gaan kopen omdat mijn lampje op jouw fiets zit. Dat is toch niet leuk?’ Geirriteerd pakte ik mijn fiets en reed weg.

‘Dan koopt u toch gewoon een nieuw lampje!’, riep een van de jongetjes me behulpzaam achterna.

Een oppoetsbare wereld

dinsdag 24 oktober 2006

Ik verheugde me er al bijna het hele weekend op. Ik zou mijn kast ontdoen van alle laarzen (schoenen zijn in de minderheid), ik zou deze op een oude krant zetten in de keuken en vervolgens zou ik ze gaan…poetsen.

Ik ben niet opgegroeid met schoenenpoetsen, net een generatie te laat denk ik. Er was wel zo’n heuse schoenpoetskist aanwezig (in de kelderkast, waar anders), maar zelf hoefde ik mijn handen daar zelden aan vuil te maken. Misschien is om deze reden schoenenpoetsen uitgegroeid tot een vreugdevolle ervaring, een uitje, een mind-cheer-up. Er is geen heerlijker geur dan de schoenpoetsgeur. Het is zo’n genot om de kale neusjes ineens weer te zien glimmen, het leer weer te zien leven. Het doet beseffen dat zo veel zaken repareerbaar zijn, dat de slogan ‘Gun schoenen een tweede ronde, weggooien is zonde’ er echt toe doet. Misschien is de wereld na 2000 jaar niet meer maakbaar, oppoetsbaar is zij wel.

Zelf ben ik wat minder van het repareren. Daar heb ik anderen voor nodig. Maar het poetsen kon ik uitstekend zelf. Alles verliep volgens plan. Aan vier paar laarzen viel de eer te beurt en aan twee paar schoenen. Bij de zwarte schoenpoets bleek helaas de rigor mortis al ingetreden, maar de doorzichtige schoenpoets hielp graag een handje mee.

Nu staan in de keuken op een oude krant zes paar laarzen (ik had over de niet-leren gelijk ook maar een doekje gehaald) en twee paar schoenen. Vol spanning wacht ik op de Goedheiligman. Ik hoop dat hij mijn ijver niet voor gulzigheid aanziet.

Laatste zelfportret in beuk

maandag 23 oktober 2006

Het vliegtuig en de wolken bewegen zich in tegenovergestelde richtingen. Ze kruisen elkaar. De snelheid lijkt gelijk. De lucht is als de luchten van oude schilderijen: woeste wolken, grijze luchten, en heel veel beweging. Als je niet naar de omgeving kijkt en de hoge lelijke gebouwen niet ziet, dan is er niets veranderd. Dit is wat het altijd geweest is. Behalve dat vliegtuig dan.

We liepen in een bos dat maar niet herfstig leek te worden. Alleen de beuken waren bereid hun blaadjes enigszins te verkleuren en op de grond te laten vallen. De beuken droegen ogen op hun gladde stammen. Grote ovale inkepingen, bijna als de lijst van een ouderwets schilderij. Hier hoefde je je ogen niet te sluiten om dingen niet te zien die er ooit niet waren; alles was er. Precies zo.

Ineens voelden we dat iemand naar ons keek. Ingelijst in een beuk hing het gezicht van een oude man. Ik herkende het gezicht direct. Het keek misschien net iets treuriger, maar het was hem onmiskenbaar. Zijn oude ogen en mondhoeken wezen een beetje naar beneden. De oude man in de beuk keek ons aan, berustend. Hij had het allemaal al eerder gezien. Dichterbij gekomen veranderde het gezicht niet, de ogen, neus en mond bleven even duidelijk zichtbaar. Schilderachtig en schilderij werden een.

Een beuk die uit eigen beweging een lofrede op de schilderkunst hield, een ode aan de Meester bracht. Aan Rembrandt zelf.

Cowboylaarzen altijd goed

zondag 22 oktober 2006

‘Cowboylaarzen’, zei de schoenenverkoper tegen een klant, ‘doen het het hele jaar door. Die zijn echt altijd goed.’ We liepen de cowboylaarzenafdeling voorbij en haalden hooggehakte en gesleehakte muiltjes met enkelriempjes uit het rek. Ze stonden ons heel goed en ze zaten prima. Mijn schoenen waren groen en dat vond ik zelf ook best het hele jaar door kunnen. Achter de kassa stond een meisje.

‘En weet je wattie dee?’ zei ze, ‘hij dee gewoon “psssst” naar me en stak z’n arm omhoog dat ik moest komen. Ja doei, dat doe ik natuurlijk niet. Ja toch, dat is toch belachelijk? Alsof ik een, een…’ Ze kon even geen passende vergelijking bedenken. ‘Een hond?’ probeerde ik haar te helpen. ‘Ja precies, haha, een hond! Ik ben toch geen hond?’ ‘Nee, belachelijk’, vond ook ik. ‘Maar in die culturen is het heel normaal’, vervolgde ze, ‘daar pssten ze allemaal naar elkaar. Maar zo doen wij dat hier niet. Weet je wat ik altijd doe? Ik psst altijd gewoon terug als er iemand naar me psst. Dan kijken ze raar op hoor. Ja ik vind dat gewoon echt niet kunnen, ik vind het echt zo…’ Weer wist ze even niet wat ze daar precies van vond. ‘Respectloos?’ zei ik. ‘Ja, gewoon respectloos’, beaamde ze. We waren het met elkaar eens. We vonden allebei dat pssten niet kon. Ze stopte de schoenen in een tas en wenste ons een ‘heel fijn weekend’.

‘Wat een heel fijn weekend hebben we he?’ Zeiden we wankel op nieuwe schoenen tegen elkaar.

Slachtofferrol

donderdag 19 oktober 2006

Hij hangt half weggezakt achter het kapotte raampje van de trein. Zijn gezicht zit onder het bloed. Hij bonkt op het raam om aandacht van de in lichtgevende hesjes gestoken hulpverleners te krijgen. Slachtoffer en hulpverleners doen alsof, want dit is een oefening.

Lotusslachtoffers, ik snap ze niet. Wie wil er nou vrijwillig slachtoffer spelen? En waarom heet het in godsnaam ‘lotus’? Dat kan ik natuurlijk opzoeken – momentje. Lotus: Landelijke Opleiding Tot Uitbeelding van Slachtoffers. Kijk, dat is tenminste duidelijk. Het is dus zelfs een heuse opleiding. Iemand die dit wist? Wat zou de reden kunnen zijn om aan een gefingeerd ongeval mee te doen in de vorm van slachtoffer? Wil iemand graag slachtoffer zijn vanwege de aandacht die hij dan krijgt, of droomt hij er eigenlijk van om acteur te worden maar de doorbraak blijft uit? Ze doen ook zo hun best. Krijgen levensechte wonden opgeschminkt, hebben een pijnlijke uitdrukking op hun gezicht en kreunen dat het een lieve lust is. Oefening baart kunst. Is dat wat het is: kunst.

Misschien is het uitbeelden van slachtoffer wel de enige manier om zo dicht mogelijk bij Het Ongeluk, De Dood, te komen, zonder de gevolgen ervan (er niet meer zijn bijvoorbeeld) mee te hoeven maken. Je ervan bewust worden dat je leeft en daar gebruik van maken. ‘Na het ongeluk leef ik elke dag alsof het mijn laatste is’. ‘Nu ik hersteld ben, geniet ik weer met volle teugen van het leven; je weet nooit wanneer het plotseling ophoudt’. Dat soort praat.

Ik ben er nog niet uit. Ik weet alleen dat ik niet graag uit mezelf slachtoffer wil spelen. Het voelt als vragen om een ongeluk.

Opmars der siliconen

dinsdag 17 oktober 2006

De siliconen zijn op weg om de wereld te veroveren. Ze zijn overal, ze duiken in al mijn geliefde reclamefolders op. In die van V&D, Blokker en zelfs in mijn allerfavorietste Hemafolder. Ze hebben hun werkterrein verlegd van het opleuken der kleine tieten naar…de keuken. Doodgewoon de keuken. Ze zijn nu kwastjes om een ovenschaal mee in te vetten. Ze zijn ovenhandschoenen. Ze zijn spatels om een gebakken eitje uit een koekenpan-met-tefalbodem te kieperen. En ze hebben de felste kleuren. ‘Hier zijn we dan!’ zie je ze schreeuwen. ‘Hoe kon je ooit zonder ons?’

Ik kon heel goed zonder ze. Wat je niet kent, dat mis je niet. Maar ineens bleken de siliconen nog een stapje verder te gaan. Deze keer hadden ze hun felgekleurde pakjes uitgetrokken en zich zo goed als onzichtbaar gemaakt, of eerder, doorzichtig. Ze werden me bijna opgedrongen. ‘Je moet echt siliconen nemen, want anders…’ Gevoelig als ik ben voor dreigementen op dit gebied zwichtte ik. Toen kreeg ik siliconenlenzen.

De lenzenboer was blij met mij. Ik leek wel een experiment – een geslaagd experiment! Hij zag mijn ogen met sprongen vooruitgaan. Elke keer als ik terugkwam voor controle en hij mijn dossier zag, keek hij verheugd op. ‘Oja, jij hebt siliconen hè’, en bijna stralend keek hij me aan. Daar was ik dan, zijn gelukte proefkonijntje. En nee, ik heb geeneen keer die grap gemaakt, die was echt té voor de hand liggend. Helemaal echt is niemand. Het vlees is te zwak om een heel mens in leven te houden.