De woorden zijn even op

dinsdag 15 december 2009

Ik kan niet doen alsof ze er niet is, maar misschien bevestigt dat vele niet-schrijven dat al. Ofzo, ik ben er een beetje uit en kan geen goede zinnen meer maken. Feit is: ze is er. Altijd, overal. Ik zou de mooiste woorden aan haar willen wijden, maar ik weet de juiste woorden niet. Misschien bestaan die ook wel niet. Zo zou ik het volgende heel graag willen beschrijven, maar ik weet nu al dat het niet over zal komen. Edoch, een poging.

Ze zit bij mij op schoot. Naast ons op de bank zit haar vader. De vader kijkt haar aan, zij kijkt haar vader aan. Ze moet lachen. De vader kijkt weg, en weer terug, en trekt een gek gezicht. Ze lacht weer, nu harder. De vader herhaalt het spelletje en zij lacht steeds harder en harder, ze schatert het uit.

Ze is drie maanden oud en zo aanwezig. Voor iemand die er nooit was, is ze er nu heel erg wel. Wij lachen ook, maar niet omdat we kiekeboe zo grappig vinden. Het gaat dieper. Ons lachen nadert het huilen zelfs, een heel diep gevoel wordt aangesproken door haar gelach. Als we er later aan terugdenken zeggen we ‘wat was dat mooi.’ En we weten dat we de juiste woorden ervoor niet kunnen vinden. Die zijn ook niet nodig.

Wat ik had kunnen schrijven

woensdag 7 oktober 2009

Ik wilde schrijven over een wandeling in het park op een heel erg doordeweekse dinsdagochtend; er waren alleen oude mannetjes die op banken langs het water zaten. Ik kreeg de neiging ze te groeten en zelfs om ze een glimlach toe te werpen. Zo iets als een verstandhoudingsglimlach. Maar ze waren niet allemaal teruglachend gezind.

Ik wilde zeker nog schrijven over de getatoeëerde man die van baby’s houdt en die als hij thuis is aan het eind van de dag de geur van baby’s mist. Op zijn arm staat in Chinese karakters de naam van zijn dochtertje. Met die armen doopte hij die van mij in haar eerste bad en iedereen die de foto van dit moment zag vroeg: ‘van wie is die arm?’

Ook wilde ik woorden wijden aan het dekentje dat de getatoeëerde man direct uit het bedje verwijderde: te gevaarlijk. En dat nu dus slechts als symbool heeft gediend. Symbolen mogen wat kosten.

Ik wilde niet schrijven over moeheid, slapeloze nachten, wasmachines, spenen en kolfapparaten. Over slapende baby’s die zomaar huilend wakker kunnen worden en waar je je naartoe snelt om troost te bieden. Over eerste lachjes en warme lijfjes.

Ooit had ik bedacht: mocht ik  zomaar eens een keer moeder worden, dan schrijf ik daar niet over, bang als ik was voor wij-jonge-ouders-teksten. Dat dat onmogelijk was, wist ik toen nog niet.

Plotseling

zaterdag 5 september 2009

En dan is het toch zomaar ‘ineens’. Hoe tegenstrijdig, na zo lang wachten zou een abrupte overgang niet mogelijk kunnen zijn.  De buitenwereld is opgehouden te bestaan. Er zijn geen dagen van de week, geen journaals, alles concentreert zich rond die ene dag: 30 augustus.  Buiten regent het, soms schijnt de zon, ik zie de druppels op het raam of een straal zonlicht zonder het te registreren. Zat ik eerst wekenlang op het dakterras, nu ben ik vergeten hoe de buitenlucht voelt.

Er zijn deze week geen eigen beslissingen. Ik word geleefd. Ik strompel door het huis en er is iemand die stofzuigt, de was doet, de vaatwasser in- en uitruimt en aan mij vraagt of hij nog iets kan doen. Ik ben een beetje licht in mijn hoofd van een week niet slapen.  In de slaapkamer ligt een derde te slapen. Ze huilt soms, dan wil ze drinken, sabbelen, of iets anders wat wij niet begrijpen omdat we haar taal nog niet spreken. Ze heeft een poppekopje dat een serene rust uitstraalt als ze slaapt. Haar ogen zijn donkerblauw en als ze ’s nachts naast me ligt, wakker en op zoek naar haar voedselbron, is het alsof ik iemand aankijk uit een andere wereld.

Als we ’s ochtends wakker worden na een uurtje slaap verder, is ze er nog steeds. Ik moet erom lachen. ‘Ze is er nog steeds’, zeg ik. Lotus is geboren en plotseling is alles anders.

Wachten in de zomer

maandag 24 augustus 2009

Ook al is elke dag de kans groter dat er iets staat te gebeuren, zelf denk ik na een week wachten dat er helemaal niets meer gaat veranderen. Misschien blijft het wel zo. Is dit de situatie voortaan. Of zal, zoals eerst alles zich de afgelopen negen maanden heeft opgebouwd, alles langzaam weer normaal worden. Elke dag een beetje meer richting zoals het ooit was, totdat ik ben vergeten hoe ik er op het hoogste punt van de curve uitzag en wat ik toen aan verwachtingen had.

Wachten is een actief werkwoord, maar van enige actie is geen sprake. Ik ken het dakterras inmiddels tot in het kleinste detail. De tuinslang hangt te druppelen. Daar merk je niks van, totdat je in het donker in bed ligt. Het favoriete schaduwplekje van een van de katten is opgekruld tussen twee bloempotten in. Het kaarsvet dat een zomer eerder op de natuurstenen tafel is gedruppeld, is nog steeds te zien als donkere vlek. De hosta’s zijn opgegeten door de slakken. Slijmsporen op de bladeren.

Ik sproei de planten in de avond. In sommige potten zit alleen onkruid. Het dilemma: geef je, nu je toch bezig bent, het onkruid ook water? Of sla je deze potten over omdat ze ongewenste gasten bevatten? Ik geef ze water.

Soms spreek ik haar aan. Ze zegt: ‘ik kom als ik er klaar voor ben.’ Elke dag vergeet ik een beetje meer waar het wachten op is.

Jeugdsentiment

vrijdag 24 juli 2009

Natuurlijk was het jeugdsentiment. ‘Kijk, daar stond hij ons altijd op te wachten en dan renden wij heel hard de trap op naar hem toe!’ Hij zou als hij nog geleefd had overgrootvader zijn geworden. Wisten we dat we altijd op een industrieterrein aten? Nee, want als kind zie je alleen wat je wilt zien:  pannenkoeken en een schip. Verder niks.

Nu was de bestemming zomaar een keer wel industrieterrein. Of met een moderner woord, woonboulevard. En aan de overkant zagen we ‘m liggen, onze ouwe kameraad het pannenkoekenschip, toen nog zonder tussen -n. De woonboulevard was vergeten, we moesten en zouden naar de overkant om voor heel even terug in de tijd te stappen.

De loopplank was hetzelfde. De ingang ook: een morsig tapijt, een soort balie en daarachter een vitrinekast met clowns, narren, pierrots. Het glas was al in geen tijden gewassen, de clowns grijnsden hun stoffige lach. In een hoekje een tafel met kleurpotloden en papier. Er was geen kind te zien.
Linksaf kwam je door de deuren het restaurant binnen. Ook hier dezelfde morsige vloerbedekking. Op de tafels stonden vaasjes met nepbloemen die uitelkaar vielen als je ze perongeluk aanraakte. Op het bestek bleef een streep staan als je er met je vinger overheen ging.

‘Had u alvast iets te drinken gehad willen hebben?’ vroeg de in een wit overhemd met een gele vlek gestoken ober. Wij hadden wel een cola gehad willen hebben. De cola smaakte niet naar cola. De jongen vroeg of we wellicht al een keuze hadden kunnen maken. Dat hadden we. Het wachten duurde lang. Plotseling begon het te stinken. Een lucht van rotte eieren verspreidde zich over  het het schip. We waren niet de enigen die het roken, ook de paar andere tafeltjes die bezet waren staken verbaasd hun neus omhoog.

De lucht was weg toen de pannenkoeken op tafel kwamen. We staken de lepel in de strooppot en probeerden niet te denken aan wat er in de loop der tijd allemaal in de strooppot gevallen zou kunnen zijn. ‘En tóch was het leuk’,  probeerden we onze jeugdherinnering in leven te houden.

Toekomstvisioenen

zaterdag 27 juni 2009

En dan gun je je jezelf eens een blik in de toekomst. Niet de toekomst van over één, vijf, tien jaar. Nee, maak er gelijk maar twintig van.  Je ziet een meisje zoals je helemaal niet zo lang geleden  zelf was.  Je laat haar foto’s zien van haar moeder die, geloof me, echt niet altijd moeder is geweest. Je ziet ouders doodgaan. Maar omdat het je niet lukt die twintig jaar later op jezelf los te laten, voel je alleen maar een intens verdriet, verlatenheid. Niet de berusting die je misschien zou moeten voelen over twintig jaar.

Een keer, tien jaar geleden, ging je in Amsterdam wonen. Je had een hangmat op je illegale minidakterras waar je gelukzalig in schommelde. ‘Ooit zak je er een keer doorheen als je de hangmat met je geliefde deelt’, zei iemand tegen je. En dat gebeurde ook, een paar jaar later. Je had visioenen over een keer een eigen huis, misschien een kind, ooit.

En het is alweer helemaal niet veel later als je op een dag jezelf ziet alsof je een foto bekijkt, je bent met je gekleurde kaplaarzen nog aan op het bed neergeploft – je weegt tien kilo meer dan een halfjaar geleden en dat maakt snel moe – om je heen liggen twee spinnende katten, een tegen je been aan, de ander tegen je arm, en je hoofd rust op de buik van de geliefde, ja, die van de hangmat.

Even is het alsof je alles al weet.

Alles beweegt

vrijdag 24 april 2009

Hij kwam de spiegel binnengelopen. Terwijl ik hem jaren niet had gezien, en net een halfuur eerder aan hem had gedacht.

Mijn kappersmeisje liep naar hem toe. ‘Momentje hoor’, zei ze tegen mij. Ik draaide mijn stoel naar achter en was blij dat mijn haar niet meer in natte plukken bovenop mijn hoofd was vastgebonden. Ik noemde zijn naam, en hij keek en groette, maar moest beter kijken om de groet bewust te maken. We waren onwennig, ongemakkelijk. Woon/werk je in deze buurt, en beiden bleken we een van die twee te doen. Hoe gaat het het gaat goed. Ik toonde onder de kapperscape een buik die sindskort zichtbaar was voor de buitenwereld. Leuk zei hij gefeliciteerd wanneer en ik zei augustus en hij zei dan zie ik je in augustus wel weer een keer. En ik lachte en zei is goed en we zwaaiden en ik dacht hoezo augustus we zien elkaar misschien wel nooit meer.

‘Leuke jongen is dat’, zei het kappersmeisje. ‘Hij komt hier vaak.’ Ik zei dat we elkaar acht jaar geleden een klein tijdje hadden gekend. Ik vertelde niet van de onrust. Dat het rijtje lege wijnflessen in de keuken steeds langer werd. Dat ik de telefoon met mijn ogen dwong over te gaan, wat nooit was gelukt. Dat ik niet kon slapen als hij er was. Dat ik liever moe was of een kater had als we afspraken, omdat ik dan pas rustig was. En dat ik nog nooit zo’n opluchting had gevoeld toen dat kleine tijdje weer voorbij was.

‘Verf je je haar wel eens?’ vroeg het kappermeisje. ‘Af en toe’, antwoordde ik, ‘het zou wel weer eens moeten want ik zie steeds meer grijze haren.’ ‘Dat was me nog niet opgevallen, hoor’, zei ze lief. Ik voelde iets bewegen vanbinnen. Het kon van alles zijn.

Vreemde klanken

woensdag 22 april 2009

Eerst hebt je de oma die achter de kinderwagen ‘daar varen de scheepjes voorbij’ voor haar kleinkind zingt. Dan heb je de jongen die je inhaalt op de fiets terwijl hij meezingt met zijn i-pod, maar je kan niet horen wat hij zingt. En alles overstemmend heb je tot slot nog dat rare orkest.

Eerst dacht ik dat er een boot langskwam. Ik zag vreemde lampen boven de gebouwen uitsteken, hoorde door de wind misvormde klanken en dacht aan een feestje op het water. Maar bij nadere inspectie bleek dat op de kop van het eiland een orkest stond te oefenen. Een heus orkest. De vreemde lampen waren lichtinstallaties, er stonden geluidswagens  opgesteld. Hekken verhinderden al te nieuwsgierige bezoekers dichterbij te komen. Alleen ik stond er.

Het orkest bestond uit blaasinstrumenten, ik herkende voornamelijk veel trompetten. De muzikanten stonden in een paar rijen op tribunes, en een van hen stond bovenop een hoog bouwwerk. Vooraan stond  een dirigent. De muzikanten brachten geen melodieën voort, maar stootten klanken uit.  Het deed nog het meest denken aan het oefenen van de sirene op de eerste maandag van de maand. Waar ik eerst nog dacht aan door de wind misvormde klanken, nu bleek dat er niets misvormds aan was. De klanken gingen omhoog en omlaag, hielden even een bepaalde toonhoogte aan, om vervolgens weer tegelijk te dalen of te stijgen. Het was surrealistisch, dit publiekloze optreden, een oefening in tonen.

De volgende dag is het orkest nog altijd niet klaar met optreden – maar kun je het wel optreden noemen als er geen publiek is? Door de nacht dringen de vreemde klanken het huis binnen.

En buiten klinkt de lente

dinsdag 31 maart 2009

De vissers zitten niet op de steiger, dus er is plek voor mij. Het is hier een gek stukje niemandsland. Eerst een drukke weg, en dan rechts ervan een doodlopende weg. Aan weerszijden staan auto’s geparkeerd. Achter de geparkeerde auto’s is het water waar schepen braaf naast elkaar tijdelijk voor anker liggen. Logica en Vagebond liggen zij aan zij en zien er identiek uit. Op Logica blaft een hond. Op Vagebond wappert de was in de wind.

Op een groengeel gevaarte, het is moeilijk te zien wat de functie van dit schip is, zijn twee jongens bezig het dek schoon te maken. Ze spuiten ook water op de kade, naast de geparkeerde auto’s. Het water op de warme stenen ruikt naar vroeger, toen we gillend door de tuinsproeier heenrenden op warme dagen.

De pipowagen, die achter een tractor op een van de parkeerplaatsen staat, is nog steeds niet verkocht. Er hangt een briefje met een mobiel nummer erop. Voor de ramen hangen roodwitgeblokte gordijntjes. Het ziet er netjes uit binnen.  Visioenen van een huis met een grote tuin, een ezeltje, geitjes, en die wagen.

Op de steiger ga ik op een paal zitten, en vraag me af of de officiële naam van zo’n schepenvastbindpaal een dukdam is. Afvragen, niet opzoeken. Het water golft onder de planken door als er verder weg een groot vrachtschip passeert. De kademuur waar ik tegenaan leun, beweegt mee.

Eenmaal teruggekeerd op eigen terrein, na pauze, na gedane arbeid, gehoorzamen alle kinderen uit de buurt aan de wetten van het lange licht, aan de zon. Ze voetballen, fietsen op eenwielers, schreeuwen naar elkaar. Een jongetje roept naar de andere kant van de straat: ‘Als het zomer is, gaan we weer samen zwemmen he!’

Over dieren

woensdag 11 maart 2009

Het is boekenweek. Op tv dezelfde oersaaie schrijvers, weer wat rimpeliger dan het jaar ervoor, een nieuw boek geschreven of al jaren terend op dezelfde titels, en wat zijn ze allemaal in hun schik met hun dier.

Ik had een rat. Soms ging Retz mee naar buiten en verstopte zich in mijn decolleté. Ik was geen punk, droeg geen zwarte kleren met gaten en kisten. Gewoon hakken en strakke truitjes. ‘Iehbah’, zeiden ze soms. ‘Dat is een mooi plekje om te zitten’, zeiden anderen. Voorspelbaar het geslacht.

Retz is al een jaar of zeven dood. Aan het eind van zijn leven was hij erg bejaard en behoefig geworden, schurftig. Ik heb ‘m zelf begraven op een koude dinsdagochtend in april in het Oosterpark. Met een lepel. De grond was hard. De lepel hield niet van graven, stribbelde tegen, dreigde met ombuigen. Ik moest een trein halen. Liefdevol legde ik Retz  in het vrij ondiepe gat. Er liep niemand langs het pad dat ik had uitgekozen. Wel ging twee keer mijn telefoon.

Na een paar weken betrad ik het park weer eens om aan een vriendin, die ook goed bevriend was geweest met Retz, het grafje te tonen. Op de plek waar het graf ongeveer gedolven was, keek ik zoekend rond,  zocht een herkenningspunt. Toen herkende ik, en op datzelfde moment werd ik hard meegetrokken door de vriendin. Ook zij herkende. Niet langer in het ondiepe grafje, maar voor ons op het pad, keek Retz ons nog een keer aan. *

——————————————————————————————————————————

* Ik zou meer verhalen over Retz kunnen vertellen.
- Zoals over die keer dat hij bijna uitgedroogd was op een hete zomerdag en hij mee was in de trein (in een hokje, dat wel). Ternauwernood redde ik ‘m het leven door ‘m water uit mijn hand te laten drinken.
- Of over die keer dat hij ontsnapt was -  hij was al in de winter van zijn leven en kouwelijk aangelegd -  en warmte had gezocht bij de kachel. Daarna waren z’n haartjes voor een deel verschroeid.
- Hoe hij altijd op z’n achterpootjes zat als ik thuiskwam en wachtte tot ik het hok opende.
- En hoe hij stiekem de hele achterkant van de bank eruit had geknaagd zodat de bank op een goede dag geen achterkant meer had.
- Of gewoon over hoeveel liefde ik bezat voor mijn rat.